M.E.(cvs)-wetenschap

september 15, 2017

Blijvende vereiste voor een accurate M.E.(cvs)-diagnose & -definitie

Filed under: Gezondheidszorg,M.E. - algemeen — mewetenschap @ 7:04 am
Tags: , , , ,

In het stuk ‘Selektie-bias & mis-klassificatie ondermijnen M.E.(cvs)’ stelden de auteurs van onderstaand redactioneel artikel zich reeds de vraag of conflicten over vooroordelen bij de selektie van patiënten met M.E.(cvs) en de misleiding omtrent de ziekte, de vooruitgang van het onderzoek niet tegenhouden.

Hier belichten ze de nood aan correcte diagnose-stelling en de rol van (strikte) definities/criteria hierbij. We geven het mee opdat patiënten hun behandelaars mee kunnen helpen wegwijs te maken in deze kwestie. Patiënten die wensen deel te nemen aan wetenschappelijk onderzoek kunnen ook best eerst bekijken welke definities de onderzoekers (zullen) hanteren. Ook pleitbezorgers en steungroepen kunnen hier gebruik van maken om beleidsmakers en patiënten zelf te overtuigen dat een correcte ‘indeling’, met een gepaste naam voor hun aandoening in éénieders belang is. Nogmaals: M.E. is NIET hetzelfde als cvs!

————————-

Fatigue: Biomedicine, Health & Behavior (Pre-print 2017) [Editoriaal]

Differing case-definitions point to the need for an accurate diagnosis of Myalgic Encephalomyelitis/ Chronic Fatigue Syndrome

Luis Nacul, Caroline C. Kingdon, Erinna W. Bowman, Hayley Curran, Eliana M. Lacerda

Staf van de Britse ‘ME/CFS Biobank’ – based at the Department of Clinical Research, Faculty of Infectious and Tropical Diseases, London School of Hygiene and Tropical Medicine, International Centre for Evidence in Disability, London UK

Myalgische Encefalomyelitis/ Chronische Vermoeidheid Syndroom (M.E./CVS) wordt gekenmerkt door onverklaarde en persistente of terugkerende incapaciterende vermoeidheid vergezeld van een waaier aan symptomen, en substantiële dalingen van de vroegere niveaus qua beroeps-, onderwijs-, sociale en/of persoonlijke aktiviteit. Gezien het ontbreken van biomerkers voor de diagnose, wordt M.E./CVS gedefinieerd door een combinatie van symptomen, waarvan de meeste niet-specifiek en courant zijn bij een aantal ziekten en aandoeningen.

Er werden 20 reeds definities voorgesteld, wat aanleiding gaf tot grote variaties in sensitiviteit en specificiteit van de diagnose. Deze diverse sets van diagnostische criteria en de verschillende manieren waarop ze werden toegepast, stellen significante problemen, aangezien research-resultaten aanzienlijk kunnen variëren naar gelang welke definitie wordt gebruikt. Een bijzonder probleem treedt op wanneer al te inclusieve criteria worden aangewend, aangezien hun gebrek aan specificiteit kan leiden tot aanzienlijke selektie-bias [vooringenomenheid/bevooroordeling]. Jammer genoeg maakten veel studies, klinische testen vooral, gebruik van brede definities zoals de Oxford criteria [Sharpe MC et al. A report – Chronic Fatigue Syndrome: guidelines for research. J R Soc Med. (1991) 84: 118-121], die niet veel eisen stellen buiten de aanwezigheid van persistente significante vermoeidheid gedurende 6 maanden en de uitsluiting van aandoeningen die de symptomen zouden kunnen verklaren, voor het stellen van een diagnose.

Dit probleem werd benadrukt in het overzicht door het ‘Agency for Healthcare Research and Quality’ [dienst van het Amerikaans ministerie voor gezondheid] over het bewijsmateriaal voor de ‘NIH Pathways to Prevention Workshop’ [Beth Smith ME et al. Diagnosis and treatment of Myalgic Encephalomyelitis/Chronic Fatigue Syndrome. Evidence Report/Technology Assessment 219. Rockville (MD): AHRQ (2014; addendun 2016)], die significante veranderingen wat betreft de interpretatie van bewijs voor behandeling aantoonde, wanneer studies die brede definities, zoals de Oxford criteria, gebruiken, niet in de analyse werden opgenomen. De implicaties voor de klinische praktijk suggereren dat ‘fit-for-all’ management-benaderingen voor M.E./CVS, niet kunnen volstaan voor patiënten die voldoen aan beter gerichte definities.

Voor patiënten die worden geselekteerd via restrictievere definities zijn cognitieve gedrag therapie (CGT), graduele oefen therapie (GOT) en andere vormen van niet-medicinale management-benaderingen voor M.E./CVS louter gepast als toegevoegde therapieën eerder dan herstellende behandelingen, wanneer ze worden aangeboden door therapeuten die M.E./CVS goed begrijpen. Deze vormen van gedragmatige interventie bleken het welzijn en het herstel van mensen die lijden aan veel chronische en invaliderende aandoeningen te ondersteunen [Het mag nu wel duidelijk zijn – na her-analyse van de resultaten van de PACE-studie – dat er geen spraken kan zijn van genezing (‘cure’, zoals de auteurs beweerden).]. Het is echter uiterst belangrijk dat het gebruik van gedragmatige management-strategieën researchers, artsen en andere gezondheid-professionals niet afhouden van het overkoepelende doel, nl. het onderzoeken van de oorzaken en pathofysiologie van M.E./CVS in verscheidene subgroepen en de ontwikkeling van specifieke behandelingen.

Ziekte mis-klassificatie

De impact van ziekte mis-klassificatie is goed gekend in het onderzoek-gebied van de epidemiologie. In observationele studies en klinische testen, kan dergelijke mis-klassificatie leiden tot significante onder- of over-schatting van verbanden of effekten. Bijvoorbeeld: bij therapieën kan mis-klassificatie leiden tot gemiste kansen wanneer het resulteert in een onderschatting van een effekt in een klinische proef. Overschatting van een effekt voortvloeiend uit mis-klassificatie kan leiden tot de implementatie van kostelijke en minder doeltreffende praktijken en mogelijke schade voor patiënten.

De beste epidemiologische praktijk gebiedt dat specificiteit, niet sensitiviteit, van diagnostische criteria belangrijker is voor het verzekeren van de validiteit van research-studies. Dit zou het gebruik moeten aanmoedigen van meer restrictieve definities, die meer waarschijnlijk authentieke gevallen vatten, met minder ‘vals-positieven’ en een lager risico op significante mis-klassificatie. Er werd op gewezen dat “vooringenomenheid bij metingen van associaties het minst zou moeten zijn bij het gebruikmaken van de meest strikte, beperkende definities en het grootst voor de meer onzekere, inclusieve categorieën”. Dit veronderstelt dat de meest restrictieve definities in verband staan met hogere diagnostische zekerheid en heeft het bijkomend voordeel dat het gewoonlijk de research-kosten drukt. Het daaropvolgend testen van hypotheses in groepen met mindere restrictieve definities is echter ook wenselijk, als onderdeel van een stapsgewijze rationele strategie ter verbetering van definities en het verfijnen van het testen van een hypothese [Nacul L. Epidemiology of ME/CFS: making sense of what we know (oral presentation). NIH office for disease prevention pathways to prevention workshop: advancing research on Myalgic Encephalomyelitis/Chronic Fatigue Syndrome. Bethesda (MD): National Institutes of Health (2014)].

Restrictieve definities en bias

De relatie tussen restrictieve definites en een lager niveau qua vooringenomenheid werd bestudeerd bij andere aandoeningen zoals febriele convulsies [koortsstuipen] in verband met vaccinaties en bij fertiliteit en roken. Meer aktuele M.E./CVS-definities zoals de de Canadese Consensus Criteria [Carruthers B et al. Myalgic Encephalomyelitis/Chronic Fatigue Syndrome. J Chronic Fatigue Syndr. (2003) 11: 7-115] (herzien als Internationale Consensus Criteria [Carruthers BM et al. Myalgic Encephalomyelitis: international consensus criteria. J Intern Med. (2011) 270: 327-338]) en de ‘Institute of Medicine’ (IOM) [Institute of Medicine (IOM). Beyond Myalgic Encephalomyelitis/Chronic Fatigue Syndrome: redefining an illness. Washington (DC): The National Academies Press (2015)] criteria pakken enkele van de problemen van eerdere minder strikte criteria aan. Deze nieuwe definities vereisen een combinatie van specifieke symptomen voor de diagnose, naast de aanwezigheid van incapaciterende chronische vermoeidheid. Bijvoorbeeld: de IOM criteria vereisen post-exertionele malaise en niet-verfrissende slaap, en cognitieve stoornissen of orthostatische intolerantie voor de bevestiging van de diagnose, terwijl de Canadese en Internationale Consensus Criteria de combinatie van een groter aantal symptomen vereisen die stoornissen in een aantal van de voorgestelde lichamelijke systemen, bv. neurologische en immuniteit-systemen, aanduiden.

Het gebruiken van specifiekere definities is enkel een begin bij het aanpakken van de complexiteiten bij het bestuderen van M.E./CVS. Zoals de meeste ziekten in klinische geneeskunde, is M.E./CVS heterogeen qua presentatie en geïdentificeerde pathofysiologie. Multi-causaliteit en variaties qua ziekte-mechanismen kan verschillende benaderingen vereisen naar diagnose en behandeling van subgroepen toe. In afwezigheid van een stevig gevalideerde definitie, kan het gebruik van deugdelijke, gecombineerde criteria helpen significante selektie-bias te voorkomen en de ontdekking van biomerkers voor diagnose, subgroepering en gepersonaliseerde behandelingen te doen vooruitgaan.

Symptomen versus diagnose

Hoewel symptomen zoals vermoeidheid, pijn en cognitieve dysfunktie als representatief voor een continuüm [ononderbroken reeks] van de ernst kunnen worden beschreven (in tegenstelling tot een beschrijving van symptomen); om de discussie over ziekte-entiteiten zoals M.E./CVS te doen vooruitgaan, is het goede klinische en research praktijk om individuen te dichotomiseren (ziek/niet-ziek) [dichotomie = twee-deling]. Twee eenvoudige voorbeelden: hypertensie en diabetes zouden moeilijk als ziekten te identificeren zijn zonder dichotomisering van de continue variabelen bloeddruk en glycemie. Het bepalen van de juiste ‘cut-off’ waarden voor ziekte-status is meer haalbaar eens we een klein aantal sleutel-variabelen hebben geïdentificeerd. We argumenteren dat een redelijk startpunt voor dit type research omtrent M.E./CVS het voldoen aan meerdere criteria (zoals hierboven aangegeven) zou moeten zijn.

Ten slotte: het is moeilijk voor zowel onderzoekers als voor de M.E./CVS-patiënten niet achter te blijven met een gevoel van frustratie en verlies bij het nadenken over de tijd en de middelen geïnvesteerd in studies die gebruik maken van veralgemeende, en zoals we argumenteren, minder produktieve criteria zoals de Oxford definitie. Als M.E./CVS-deelnemers die meer waarschijnlijk ‘echte gevallen’ zijn, worden gerecruteerd op basis van gestandardiseerde procedures en robuste verzameling van gegevens voor klinische fenotypering, zal wellicht significante vooruitgang geboekt worden omtrent het begrijpen van M.E./CVS.

Advertenties

maart 31, 2017

Selektie-bias & mis-klassificatie ondermijnen M.E.(cvs)

Filed under: Gezondheidszorg,M.E. - algemeen — mewetenschap @ 11:12 am
Tags: , , , ,

Personeel van de Britse ‘ME/CFS Biobank’ en het ‘Cure ME’ verbonden met het Londens instituut voor tropische geneeskunde – die gefinancierd worden door het ‘Ramsay Research Fund’ van de ‘ME Association’ – stelden zich de vraag of conflicten over vooroordelen bij de selektie van patiënten met M.E.(cvs) en de misleiding omtrent de ziekte, de vooruitgang van het onderzoek niet tegenhouden. Dit blijkt wel degelijk het geval! Het is dan ook dringend nodig de voortdurende geschillen snel op te lossen!!!

Lees ook ‘M.E. meer funktioneel verstoord en meer symptomen dan CVS’.

————————-

Journal of Health Psychology (Pre-print March 2017)

How have selection bias and disease misclassification undermined the validity of Myalgic Encephalomyelitis/ Chronic Fatigue Syndrome studies?

Luis Nacul [Associate Professor, Faculty of Infectious and Tropical Diseases], Eliana M Lacerda, Caroline C Kingdon, Hayley Curran [CureME Project Manager & ME/CFS Biobank Coordinator, Department of Clinical Research], Erinna W Bowman

London School of Hygiene and Tropical Medicine in London, United Kingdom

Samenvatting

Myalgische Encefalomyelitis/ Chronische Vermoeidheid Syndroom is een controversiële diagnose die resulteert in spanningen tussen patiënten en gezondheid-professionals. Een belangrijke beperking voor progressie is het gebrek aan een ‘gouden standaard’ voor het stellen van de diagnose: er worden een aantal onvolmaakte klinische en research-criteria gebruikt, die elk verschillende maar toch overlappende groepen mensen met Myalgische Encefalomyelitis of Chronische Vermoeidheid Syndroom definiëren. We reviewen de basis epidemiologische concepten om te illustreren hoe het gebruik van meer specifieke en restrictieve definities de validiteit van research kunnen verbeteren en vooruitgang brengen via het reduceren van selektie-bias [vooringenomenheid] veroorzaakt door diagnostische mis-klassificatie.

Presentatie

Controverses omtrent de diagose en management van Myalgische Encefalomyelitis of Chronische Vermoeidheid Syndroom (M.E./CVS) [Geraghty KJ.‘PACE-Gate’: When clinical trial evidence meets open data access. Journal of Health Psychology (2016) /// Geraghty KJ & Esmail A. Chronic Fatigue Syndrome: Is the biopsychosocial model responsible for patient dissatisfaction and harm? British Journal of General Practice (2016) 66: 437-438] hebben de klinische praktijk en de publieke percepties beïnvloed en hebben geleid tot onenigheid tussen artsen en patiënten. Er is nog een gebrek aan begrip en erkenning van M.E./CVS bij veel huisartsen.

Eén van de belangrijkste kwesties is de afwezigheid van gevestigde diagnostische biomerkers en het vertrouwen op diagnostische criteria (met meer dan 20 voorgestelde) die grotendeels gebaseerd zijn op klinische symptomen – voor diagnose en research-doeleinden. Dit is problematisch, in het bijzonder wanneer dergelijke criteria breed zijn [Jason LA, Sunnquist M, Brown A et al. Examining case definition criteria for Chronic Fatigue Syndrome and Myalgic Encephalomyelitis. Fatigue (2014) 2: 40-56] en de gevallen niet in subgroepen klassificeren. De uitdaging die diagnose mis-klassificatie – die resulteert in ‘vals positieven’ (of ‘onechte’ gevallen) – stelt, is evident wanneer de prevalentie van M.E./CVS op basis van verschillende criteria worden vergeleken. Een systematisch overzicht toonde een meer dan 100-voudige variatie qua ziekte-prevalentie bij studies, gaande van 0,1% gebruikmakend van de ‘Canadian Consensus Criteria’ – een relatief specifieke klassificatie die door velen beschouwd als het meest representatief voor ‘onvervalste’ M.E./CVS-gevallen, tot 3,7% en 7,6% gebruikmakend van, respectievelijk, de Oxford en Australische definities.

Zelfs als we uitgaan van verschillen qua methodologie en geografische variatie bij de prevalentie, is het duidelijk dat de aantallen merkbaar worden beïnvloed door de gebruikte diagnostische criteria. Er werd ook aangetoond dat de Oxford criteria de hoogste mediane prevalentie opleverden: 1,5%, wat 15 maal hoger is dan deze bij gebruik van de Canadese criteria. [Brurberg KG, Fonhus MS, Larun L et al. Case definitions for Chronic Fatigue Syndrome/ Myalgic Encephalomyelitis (CFS/ME): A systematic review. BMJ Open (2014) 4: e003973] Als wordt aangenomen dat de Oxford criteria altijd de gevallen omvatten die positief zijn bij de Canadese criteria, dan verwachten we (op basis van bovenstaande cijfers) dat in een staal van 15 gevallen geselekteerd op basis van de Oxford criteria er 14 niet zullen voldoen aan de Canadese criteria. Daarom: als Oxford-positieve gevallen worden gebruikt om een hypothese te testen wat betreft een specifiek pathofysiologisch proces dat wordt gezien bij gevallen die positief zijn voor de Canadese definitie, dan kan dit leiden tot het selekteren van 14 niet-gevallen (vals positieven) voor elke 15 gerecruteerden; een onaanvaardbare mate van of mis-klassificatie.

Implicaties van diagnose mis-klassificatie in observationele studies

Het volgend hypothetisch voorbeeld illustreert de mate van bevooroordeling (bias) die kan worden gegenereerd gebruikmakend van ongeschikte definities. Als de ‘odds ratio’ (OR) [waarschijnlijkheid van het verband tussen aan- of afwezigheid van een bepaalde eigenschap en die van een andere eigenschap in een populatie] voor de associatie van M.E./CVS met een bepaalde variabele (V) gelijk is aan 4,0, dan kan de echte associatie tussen V en ziekte, geconstateerd d.m.v. een standaard diagnostische definitie die ‘daadwerkelijke’ gevallen weerspiegelt, […] worden voorgesteld in een 2 × 2 tabel. De resultaten van een hypothetische studie waar vooringenomen gevallen-selektie resulteerde in de recrutering van één ‘daadwerkelijk’ geval (geassocieerd met V; OR = 4) en 14 ‘onechte’ gevallen (niet geassocieerd met V; OR = 1) voor elke 15 gerecruteerde gevallen geeft een zeer onder-gewaardeerde OR. Omgekeerd: als de associatie bestaat bij ‘onechte’ gevallen maar niet bij ‘daadwerkelijke’ gevallen, kan dit resulteren in het vinden van een valse associatie, met een over-gewaardeerde OR.

Diagnose mis-klassificatie bij klinische testen

Het gevaar van diagnose mis-klassificatie kan geïllustreerd worden met een hypothetisch voorbeeld over diabetes mellitus. Hoewel beide beter bekende types diabetes (type-1 & -2) hyperglycemie als gemeenschappelijke factor voor de diagnose hebben, is de klassificatie van de ziekte in subtypes essentieel voor een doeltreffend management en prognose. De afzonderlijke pathofysiologieën van de 2 types diabetes vereisen nogal verschillende benaderingen: het aanpakken van de insuline-resistentie door een aangepaste levensstijl en/of orale medicatie voor het initieel management van type-2 diabetes, in tegenstelling tot verplicht insuline-gebruik voor type-1.

Bedenk bv. een klinische proef met een niet-insuline hypoglycemisch middel agent voor type-2 diabetes (maar niet type-1) waarbij gevallen met zowel type-1 als type-2 diabetes worden gerecruteerd. Als de recrutering in de ganse populatie gebeurde, en omdat type-2 diabetes meer courant is dan type-1, zou (zonder stratificatie) kunnen worden besloten dat het hypoglycemisch middel bij alle gevallen doeltreffend is voor het verminderen van de glucose-concentratie in het bloed, aangezien de gemiddelde daling van de glycemie bepaald wordt door het overwegen van studie-deelnemers met type-2 diabetes. Dit zou compleet maskeren dat de behandeling ondoeltreffend is voor de subgroep met type-1 diabetes, voor wie de behandeling zou leiden tot gevaarlijke stijgingen van de glucose-waarden.

Gelijkaardige problemen kunnen ook voorkomen bij research omtrent andere minder goed begrepen ziekten, zoals M.E./CVS, waar het gevaar schuilt in veralgemening van de resultaten van studies met patiënten met niet-specifieke ‘chronische vermoeidheid’ (waarbij mensen met een waaier aan diagnoses – o.a. aandoeningen van de mentale gezondheid – kunnen horen). Onderzoekers herbekeken het bewijsmateriaal voor M.E./CVS-behandelingen. Als studies op basis van de brede Oxford criteria werden uitgesloten, bleek het effekt van graduele oefen therapie (GOT), cognitieve gedrag therapie (CGT) en andere psychologische therapieën […] te verdwijnen. [Beth Smith ME et al. Diagnosis and Treatment of Myalgic Encephalomyelitis/ Chronic Fatigue Syndrome: Evidence Reports/ Technology Assessments (ed Center PNE-bP). Rockville, MD: US Department of Health and Human Services (2014, addendum 2016)] Die studies omvatten de PACE proef van White et al. (2011) waar psychologische en op inspanning gebaseeerde behandelingen als doeltreffend werd geclaimd tegen chronische vermoeidheid; maar er werd aangetoond dat deze weinig effekt hadden voor mensen met M.E./CVS gedefinieerd volgens de striktere criteria.

Deze nieuwe kijk op het bewijsmateriaal zal waarschijnlijk resulteren in wijzigingen van de richtlijnen omtrent M.E./CVS-behandeling; wat de potentieel ver-rijkende repercussies van diagnostische mis-klassificatie en selektie-bias illustreert.

Een strategie voor research

Het begrijpen van de significante impact die diagnose mis-klassificatie kan hebben op het beleid en de patiënten-zorg zal leiden tot nieuwe research-opportuniteiten als we overgaan tot degelijk opgezette studies bij voldoende grote groepen die patiënten recruteren die voldoen aan de meer specifieke definities, en die gedetailleerde fenotypering van de deelnemers omvatten. Een benadering om mis-klassificatie in observatie- interventie-studies te reduceren, kan het verbeteren van de specificiteit qua selektie van de gevallen zijn door, bv., te vereisen dat deelnemers gelijktijdig aan een combinatie van geselekteerde internationaal overééngekomen diagnostische criteria voldoen om als gevallen te kunnen worden beschouwd. Dit zou

1) de recrutering van ‘onechte’ gevallen minimaliseren;

2) resultaten vermijden die moeilijk te interpreteren zijn en kostbare middelen verkwisten;

3) dwalingen qua bewijsmateriaal, die noch de patiënten noch de gezondheid-professionals een dienst bewijzen, voorkomen.

Een natuurlijke bezorgdheid omtrent het aanwenden van zeer strike diagnostische criteria voor research-studies is dat authentieke gevallen kunnen worden uitgesloten omdat ze niet zouden voldoen aan de inclusie-criteria. Hoewel dit kan gebeuren, zou het voornaamste gevolg bij analytische studies enige daling qua statistische ‘power’ zijn; een prijs waard te betalen voor een robuste analyse die onbevooroordeelde conclusies mogelijk maakt. Wanneer recrutering vereist is die meer arbeid vraagt (aangezien veel gevallen niet voldoen aan de striktere criteria voor inclusie), zal elke stijging van de studie-kosten om een bepaalde grootte van de studie-groep te bereiken, de uitgaven compenseren voor gebrekkig onderzoek dat te inclusief is qua recrutering, maar ‘onechte’ resultaten kan genereren. Deze resultaten zullen, indien on-kritisch geïnterpreteerd, kostbare middelen onttrekken zonder resultaat.

Prioriteiten voor de klinische praktijk

Niettemin is het belangrijk het onderscheid te maken tussen research en klinische praktijk. Hoewel het eerste zou moeten focussen op een betere definitie voor de ziekte-toestand, subgroepen en het testen van preventieve en behandel-interventies, is de voornaamste rol van de klinici het voorzien van de beste zorg en het ondersteunen van hun patiënten, ongeacht de diagnose of een gebrek aan diagnose. Daarom zouden klinische diensten moet openstaan voor mensen met een bredere waaier qua aandoeningen met, bv., chronische vermoeidheid.

Historisch bekeken werd dikwijls vereist dat patiënten die werden aangenomen door de ‘ME/CFS Specialist Services’ in het Verenigd Koninkrijk voldeden aan de CDC-criteria (Fukuda et al. 1994) of zelfs bredere criteria (NICE [‘National Institute for Health and Care Excellence’]). We stellen voor dat criteria zoals die van het ‘Institute of Medicine’ of het CDC nog kunnen worden gebruikt als richtlijn voor professionals in de eerstelijn-zorg om patiënten door te verwijzen naar gespecialiseerde diensten, mits het feit dat een adequate uitwerking van de gevallen wordt uitgevoerd in de eerstelijn-zorg. Dit zou het geval kunnen zijn totdat we M.E./CVS beter begrijpen, en in een positie verkeren de diagnose betrouwbaar te stellen en specifieke behandelingen aan te bieden. Het is ook belangrijk te bevestigen dat velen met chronische vermoeidheid die nu nog worden doorverwezen naar gespecialiseerde M.E./CVS-diensten baat zouden hebben bij alternatieve zorg-trajecten, zodat overbelasting van de reeds overbelaste diensten wordt vermeden. Dit is in het bijzonder belangrijk voor degenen met een alternatieve diagnose die een hun symptomen verklaart, inclusief die met een chronische medische en psychiatrische ziekten. Er werd gesuggereerd dat 40 tot 64 percent van de gevallen die worden doorverwezen naar gespecialiseerde M.E./CVS-diensten niet voldoen aan de diagnostische criteria voor M.E./CVS; dus moeten robuste doorverwijzing-procedures worden vastgelegd [Newton JL et al. The Newcastle NHS Chronic Fatigue Syndrome Service: Not all fatigue is the same. The Journal of the Royal College of Physicians of Edinburgh (2010) 40: 304-307].

Besluit

Het opnemen in research-studies van de patiënten die gelijktijdig voldoen aan een klein aantal geselekteerde definities zou de kosten-efficiëntie van de research kunnen verbeteren en, door het verminderen van bias, de kansen verhogen van het ontdekken van diagnostische biomerkers en het ontwikkelen van doeltreffende behandelingen. Een research-strategie die robuste werkwijzen waardeert, zal het genereren van kennis en de vertaling naar een betere klinische praktijk versnellen. De zorg voor mensen met chronische vermoeidheid moet doorgaan, op basis van de best mogelijke praktijk en bewijsmateriaal, in een open en transparante dialoog met de patiënten. Dit zal positieve relaties, gebaseerd op vertrouwen tussen patiënten en professionals, waarbij geïnformeerde ziekte-management beslissingen worden genomen in een partnerschap, toelaten.

september 6, 2015

Reproduceerbaarheid van psychologische studies?

Filed under: Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 12:56 pm
Tags: , , ,

Professor Brian Nosek (Departement Psychologie van de ‘University of Virginia’) is de uitvoerend directeur van het ‘Centre for Open Science’, een ‘non-profit’ organisatie die “gratis en open diensten aanbiedt om de inclusiviteit en de transparantie van research te verhogen”. Dit C.O.S. ondersteunt het “aanpassen van stimuli en praktijken zodat ze beter aansluiten bij de wetenschappelijke waarden”.

Psychologisch onderzoek heeft een slechte naam. Studies zijn vaak kleinschalig en dikwijls niet te herhalen. De grootschalige fraude van sociaal psycholoog Diederik Stapel van de universiteit van Tilburg (NL) ontketende een crisis in het vakgebied. (Zie ook ‘Kritische kijk op psychotherapie-research’)

Nosek startte het ‘Reproducibility Project: Psychology’ op en samen met een internationaal team van onderzoekers heeft hij honderd psychologische studies (die eerder in vakbladen werden gepubliceerd) opnieuw uitgevoerd. Meer dan de helft van die replicaties leverde andere resultaten op; de originele resultaten werden dikwijls niet teruggevonden: ze kwamen niet tot dezelfde conclusies als de oorspronkelijke onderzoekers. Slechts van 39 procent van de oorspronkelijke studies werden de belangrijkste resultaten met succes gereproduceerd. Bij 83 procent bleken de cijfers bij herhaling minder sterk; en gemeten effekten bleken bij de herhaling gemiddeld nog maar half zo groot. Er bleek dat vooral bij verrassende resultaten vraagtekens kunnen worden geplaatst. De resultaten van deze grote replicatie-studie verschenen in Science.

Als een onderzoek niet met succes kan worden herhaald, betekent dat veelal dat het oorspronkelijke resultaat een toevalstreffer was. Of dat de onderzoekers vooringenomen waren of fouten hebben gemaakt. Fraude is ook een mogelijkheid, maar daarvan is in de onderzochte studies niets gebleken.

Dit alles roept toch ernstige twijfels op. Ofwel vond de originele studie ten onrechte een effekt – en was ze dus onbetrouwbaar. Ofwel is het herhaal-onderzoek, ondanks het scrupuleuze opzet van het replicatie-project, niet exact hetzelfde uitgevoerd als het originele onderzoek en kwam het daardoor tot andere resultaten. Ofwel faalde het herhaal-onderzoek door één of andere toevalligheid. Er is dus reden tot bezorgdheid!

Nosek en de 270 andere researchers die aan het project meewerkten, probeerden ook te achterhalen welke studies het best te reproduceren zijn. De ervaring en expertise van de originele onderzoekers deed er weinig toe. Wat wel belangrijk was: hoe significanter de originele resultaten, hoe vaker ze bij herhaal-onderzoek opnieuw uit de bus kwamen. Zoals gezegd waren over het algemeen verrassende bevindingen moeilijker te reproduceren dan wat in de lijn der verwachtingen ligt. Ten slotte waren sommige studies simpelweg te moeilijk om exact te herhalen. Dat laatste getuigt overigens ook niet van deugdelijk onderzoek. De bevindingen van een studie zijn voor de wetenschap immers pas “waar” als ze verschillende keren zijn herhaald met dezelfde uitkomst.

De opzet van psychologisch onderzoek kan dus vaak beter. Zodat herhaal-onderzoek ten minste kan nagaan of we waarheid kunnen hechten aan bepaalde conclusies. Helaas stimuleert de wetenschappelijke wereld het herhaal-onderzoek niet. Nosek: “Wetenschappers proberen betrouwbare kennis aan te dragen maar tegelijk moeten ze zeker zijn van publicaties in vakbladen, omdat ze vooral door publicaties hun job als onderzoeker veiligstellen. En vooral nieuwe, onverwachte of opwindende bevindingen zijn makkelijk te publiceren.”. Eerder onderzoek wees al uit dat vakbladen vooral studies publiceren die effekten vinden (en geen studies die de onderzochte effekten niet vinden) en dat herhaal-onderzoek niet populair is bij de uitgevers. “Het kan gebeuren dat negatieve resultaten worden weggelaten. De gepubliceerde vak-literatuur stelt dingen zo mooier voor dan de werkelijkheid is.” Daardoor doen wetenschappers liever vernieuwend onderzoek dat hun carrière ten goede komt, zelfs als dat ten koste gaat van de reproduceerbaarheid van hun resultaten.

De psychologische studies in kwestie gaan over wetenschappelijke detail-zaken in de sociale en de cognitieve psychologie: therapieën of diepe inzichten staan niet op het spel. Niettemin spreekt Stanford-methodoloog John Ioannidis (zie ook ‘Een Epidemie van Valse Beweringen’) – die niet betrokken was bij het replicatie-project – van een zwarte dag: “Het aantal mislukte replicaties is erg hoog, zelfs nog hoger dan de 55 procent die ik zelf eens heb ingeschat. En dan is dit nog een steekproef van wat je kunt omschrijven als de beste studies, uit de beste vakbladen. Dat doet vermoeden dat van de hele psychologische literatuur misschien wel 80 procent of meer niet klopt.”. Onderzoek herhalen om te controleren of het wel klopt, geldt als de gouden standaard van de wetenschap. Het gebeurt alleen te weinig, omdat ‘replicatie’ geldt als saai en ondankbaar werk. Bovendien kan ook replicatie vertekende resultaten opleveren, als alleen de gelukte replicaties worden gepubliceerd. Juist daarom is het herhaal-project van de psychologen – systematisch een hele reeks studies overdoen – “enorm belangrijk”, benadrukt Ioannidis.

————————-

Science (2015) Vol. 349 no. 6251

Estimating the reproducibility of psychological science

Brian A. Nosek & de ‘Open Science Collaboration’

INLEIDING

Reproduceerbaarheid is een definiërend kenmerk van wetenschap maar de mate waarop het de huidige research karakteriseert, is onbekend. Wetenschappelijke claims zouden geen geloofwaardigheid mogen verwerven omwille van de status of autoriteit van hun ontwerper maar door de reproduceerbaarheid van het ondersteunend bewijsmateriaal. Zelfs research met een voorbeeldige kwaliteit kan niet-reproduceerbare empirische bevindingen hebben omwille van willekeurige of systematische feiten.

RATIONALE

Er is bezorgdheid over de mate en de voorspellende factoren van reproduceerbaarheid, maar er is weinig bewijs. Mogelijke problematische praktijken omvatten selektieve rapportering, selektieve analyse en onvoldoende specificatie van de voorwaarden die nodig zijn of volstaan om de resultaten te bekomen. Directe replicatie is het proberen her-creëeren van de voorwaarden waarvan men gelooft dat ze volstaan voor het verkrijgen van een eerder geobserveerde bevinding en het middel voor het vaststellen van reproduceerbaarheid van een bevinding met nieuwe gegevens. We voerden een grootschalig onderzoek in samenwerkingsverband uit, om een initiële schatting te bekomen van de reproduceerbaarheid van psychologisch onderzoek.

RESULTATEN

We voerden replicaties uit van 100 experimentele en correlationele studies gepubliceerd in 3 psychologie-tijdschriften gebruikmakend van ontwerpen met een hoge [statistische] ‘power’ en – wanneer beschikbaar – origineel materiaal. Er is niet één enkelvoudige standaard voor het evalueren van het replicatie-succes. Hier evalueerden we de reproduceerbaarheid via significantie en P-waarden, effekt-groottes, subjectieve bepalingen van reproduceerbaarheid-teams en meta-analyse van effekt-groottes. De gemiddelde effekt-grootte (r) van de replicatie-effekten (Mr = 0.197, SD = 0.257) was de helft van de grootte-orde van de gemiddelde effekt-grootte van de oorspronkelijke effekten (Mr = 0.403, SD = 0.188), wat representatief is voor een substantiële daling. 97% van de oorspronkelijke studies gaf significante resultaten (P < .05). 36% van de replicaties gaf significante resultaten; 47% van de oorspronkelijke effekt-groottes lagen binnen het 95% confidentie-interval van de effekt-grootte van de replicatie; 39% van de effekten kregen een subjectieve beoordeling van een replicatie te zijn van het oorspronkelijk resultaat; en wanneer geen bias bij de oorspronkelijke resultaten wordt verondersteld, bleven er 68% met statistisch significante effekten over. Correlationele testen suggereren dat replicatie-succes beter werd voorspeld door de kracht van het origineel bewijsmateriaal dan door kenmerken van de oorspronkelijke en replicatie-teams.

BESLUIT

Er is niet één enkelvoudige indicator die in voldoende mate het replicatie-succes beschrijft en de 5 indicatoren die hier werd onderzocht, zijn niet de enige manieren om reproduceerbaarheid te evalueren. Niettemin bieden deze resultaten te samen genomen een duidelijk besluit: Een groot deel van de replicaties gaf zwakker bewijsmateriaal voor de oorspronkelijke bevindingen, ondanks het feit dat materiaal werd gebruikt aangeboden door de originele auteurs, de voorafgaande review op methodologische betrouwbaarheid en de hoge statistische ‘power’, om de oorspronkelijke effekt-groottes te detekteren. Bovendien is het correlationeel bewijs consistent met de conclusie dat de variatie qua sterkte van het initieel bewijsmateriaal (zoals de originele P-waarde) beter het replicatie-succes voorspelde dan de variatie qua karakteristieken (zoals ervaring en expertise) van de teams die de research uitvoerden. Deze laatste factoren kunnen zeker het replicatie-succes beïnvloeden maar het lijkt hier niet zo.

Reproduceerbaarheid wordt niet goed begrepen omdat de aansporingen voor individuele wetenschappers om nieuwigheid boven replicatie te verkiezen. Innovatie is de motor voor ontdekking en is vitaal voor een produktieve, doeltreffende wetenschap. Innovatieve ideëen worden echter snel ‘oud nieuws’. Tijdschrift-reviewers en -uitgevers kunnen een nieuwe test of gepubliceerde gegevens als zijnde ‘on-origineel’ afdoen. De claim “we weten dit al” logenstraft de onzekerheid van wetenschappelijk bewijsmateriaal. Innovatie wijst paden aan die mogelijk zijn; replicatie wijst paden aan die waarschijnlijk zijn; vooruitgang steunt op beide. Replicatie kan zekerheid verhogen wanneer de bevindingen worden gereproduceerd en bevorderen innovatie wanneer dit niet het geval is. Dit project biedt accumulerend bewijsmateriaal voor vele bevindingen in de psychologische research en suggereert dat er nog steeds meer werk aan de winkel is om te verifiëren of we weten wat we denken te weten.

juli 3, 2014

Kritische kijk op psychotherapie-research

Filed under: Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 5:51 am
Tags: , ,

James C. Coyne is Professor Gezondheid-psychologie aan het Universitair Medisch Centrum in Groningen, waar hij wetenschappelijk schrijven en kritisch denken onderwijst. Hij is ook gast-professer aan het ‘Institute for Health, Health Care Policy & Aging Research’ van Rutgers, de ‘State University of New Jersey’. Dr. Coyne is Professor Emeritus Psychologie in Psychiatrie; hij was ook Directeur ‘Behavioral Oncology’ aan het ‘Abramson Cancer Centre’ en ‘Senior Fellow’ aan het ‘Leonard Davis Institute of Health Economics’. Hij fungeerde als Extern Wetenschappelijk Adviseur to bij een 10-tal door de Europese Commissie gefinanceerde gemeenschap-programmas ter verbetering van de zorg bij depressie. Hi heeft 350 artikels en hoofdstukken geschreven (…). De ‘ISI Web of Science’ heeft hem aangeduid als één van de psychologen en psychiaters met de grootste impact ter wereld. (…) Hij blogt ook en levert regelmatig bijdrages aan de blog ‘Science Based Medicine’ en aan de ‘PLOS One Blog, Mind the Brain’. (…)

De geïnteresseerde lezer kan meer documentatie en aanvullingen vinden in een stuk op zijn blog jcoynester.wordpress.com (10 Juni 2014) waarin hij verder zijn bezorgdheid beschrijft omtrent de noodzaak om psychotherapie-research en de literatuur daarrond te hervormen.

————————-

blogs.plos.org/mindthebrain; James Coyne PhD (10 Juni 2014)

Een manifest om psychotherapie-research te redden

Verandering in psychotherapie-onderzoek van brandstof voorzien d.m.v. meer kritisch onderzoek en publieke verantwoordelijkheid

De verklaringen van John Ioannidis dat de meeste positieve bevindingen vals zijn [Ioannidis JPA. Why Most Published Research Findings Are False. PLoS Med. (2005) 2: e124; zie ook ‘Een Epidemie van Valse Beweringen] en dat de meeste baanbrekende ontdekkingen worden overdreven of niet kunnen worden gerepliceerd, zijn evenzeer van toepassing op psychotherapie als op medische biologie.

We moeten een paar tips uit Ben Goldacre’s ‘Bad Pharma’ nemen [Bad Pharma: Hoe Farmaceutische Bedrijven Artsen Misleiden en Patiënten Schade Toebrengen] en de psychotherapie-literatuur opkuisen, net zoals wat werd bereikt bij farmacologische studies. Zeker: er valt nog veel te doen om de kwaliteit en transparantie van farmacologische studies te waarborgen en om alle gegevens bij het publiek te brengen. Maar de psychotherapie-literatuur blijft ver achter en is veel minder betrouwbaar dan de farmacologische literatuur.

Zoals het er nu uitziet, biedt de psychotherapie-literatuur geen betrouwbare gids voor beleidsmakers, klinici en consumenten die pogen om de relatieve kosten en voordelen te beoordelen van het kiezen voor een bepaalde therapie boven een andere. Als dergelijke belanghebbende partijen kritiekloos afhangen van de psychotherapie-literatuur om de door bewijs ondersteunde status van behandelingen te evalueren, zullen ze verward of misleid worden.

Psychotherapie-research is schandalig slecht

Veel RCTs [‘Randomized Controlled Trial’] zijn ‘under-powered’ [De ‘power’ van een statistische test is de waarschijnlijkheid dat het op een correcte manier de ‘null’ hypothese (geen verband tussen 2 gemeten fenomenen) verwerpt, dat deze vals is; uitgedrukt door de P-waarde. Een ‘under-powered’ studie zal waarschijnlijk niet toelaten te kiezen tussen hypothesen met een gewenste significantie.] maar toch worden consistent positieve resultaten verkregen door het her-definiëren van de primaire uitkomsten nadat de resultaten bekend zijn. De typische RCT is een kleine, methodologisch gebrekkige studie uitgevoerd door onderzoekers met sterke loyauteit voor één van de behandelingen die worden geëvalueerd. Welke behandeling de voorkeur krijgt van de onderzoekers is een betere voorspeller van de uitkomst van de proef dan de specifieke behandeling die wordt geëvalueerd.

Veel positieve bevindingen worden gecreëerd door het ‘spinnen’ [een nieuwtje of andere informatie een bijzondere (vooral een gunstige) interpretatie meegeven] van een combinatie van bevestigende ‘bias’ [vooringenomenheid], soepele ontwerp-voorschriften, data-analyse en rapportering, en het najagen van significantie [die er eigenlijk niet is].

Veel studies die als positief worden beschouwd, ook deze die veel worden geciteerd, zijn in principe ongeldige, nietszeggende proeven waarvan de resultaten van de primaire uitkomst worden genegeerd, en post-hoc analyse van secundaire uitkomsten en subgroep-analyses worden benadrukt. Dat ‘Spinnen’ start bij de ‘abstracts’ [samenvattingen van wetenschappelijke artikels] en de resultaten die er gerapporteerd worden zijn meestal positief.

Het grootste deel van de psychotherapie-RCTs omvatten vergelijkingen tussen een aktieve behandeling en een inaktieve of neutrale controle-groep zoals personen op een wachtlijst, zonder behandeling of die ‘routine zorg’ krijgen die doorgaans niet wordt gedefinieerd maar waarin blootstelling aan een behandeling van voldoende kwaliteit en intensiteit niet is verzekerd. In het beste geval kunnen deze studies ons vertellen of een behandeling beter is dan helemaal niets doen of dan dat patiënten behandeling verwachten omdat ze zijn ingeschreven voor een proef maar geen behandeling krijgen (‘nocebo’ [‘negatief verwachtingseffect’; een patient anticipeert mogelijke nevenwerkingen van een farmacologisch middel en ondervindt die ook, zelfs al is het middel nep is]).

Meta-dwaaheid?

Meta-analyses [onderzoek waarin onderzoeken over een bepaald fenomeen worden samengevoegd om één meer correcte uitkomst te bekomen] van psychotherapie bepalen vaak de besluiten niet nader op basis van bewijs-graad, negeren klinische en statistische heterogeniteit, bekijken de ‘allegiance’ [loyauteit, trouw, aanhankelijkheid] van de onderzoekers onvoldoende, bagatelliseren de overheersing door kleine studies met statistisch onwaarschijnlijke aantallen positieve bevindingen, en negeren de mate waarop positieve effekt-groottes voorkomen bij vergelijkingen tussen aktieve en inaktieve behandelingen.

Meta-analyses van psychotherapieën worden sterk bevooroordeeld in die zin dat wordt besloten dat behandelingen zouden werken, vooral wanneer ze worden uitgevoerd door degenen die hun belangen-conflicten niet melden, waaronder ontwikkelaars en promotors van behandelingen die financieel zouden winnen (geïnteresseerden kunnen ook ‘Critical analysis of a meta-analysis of a treatment by authors with financial interests at stake’ door dezelfde auteur lezen…) als ze worden ‘gewaarmerkt’ als zijnde “ondersteund door bewijs”.

Globaal gezien zijn meta-analyses te sterk afhankelijk van ‘under-powered’, gebrekkige studies die werden uitgevoerd door onderzoekers met een sterke loyaliteit voor een bepaalde behandeling of de bevinding als zou psychotherapie in het algemeen doeltreffend zijn. Wanneer controles worden ingevoerd voor risico op vertekening of onderzoeker-trouw, verminderen of verdwijnen de effekten zelfs.

Belangen-conflicten geassocieerd met het feit dat voor auteurs aanzienlijke financiële voordelen op het spel staan, worden zelden vermeld in de studies die worden beoordeeld of de in meta-analyse zelf.

Benoeming van behandelingen als zijnde ‘ondersteund door bewijs’

Er zijn lage drempels voor professionele groepen (zie ook ‘Troubles in the Branding of Psychotherapies as “Evidence Supported”) zoals de ‘American Psychological Association Division 12’ (http://www.div12.org; “Website on Research-Supported Psychological Treatments”) of gouvernementele organisaties zoals de ‘US Substance Abuse and Mental Health Services Administration’ (SAMHSA) om te verklaren dat behandelingen “ondersteund” zijn door “bewijzen”. Er worden zelden behandelingen ondoeltreffend of schadelijk geacht door deze groepen.

Professionele groepen hebben belangen-conflicten door het feit dat ze willen dat hun leden in staat zijn te beweren dat de behandelingen die ze in de praktijk aanbieden ‘evidence-based’ zijn, terwijl ze de keuze van behandelaar niet willen beperken door het als ondoeltreffend labelen van de behandelingen. Andere bronnen van evaluatie zoals SAMHSA zijn sterk afhankelijk van en staan kritiekloos tegenover wat promotors van bepaalde psychotherapieën indienen als aanvragen voor ”evidence-supported” status.

De mogelijkheid dat er geen consistente verschillen zijn tussen gestandaardiseerde, geloofwaardige behandelingen voor klinische problemen, wordt routinematig belachelijk gemaakt door het ‘dodo bird verdict’ (verwijzend naar de bewering dat alle psychotherapieën, ongeacht hun specifieke componenten, leiden tot gelijkwaardige resultaten) en afgewezen zonder systematische aandacht voor de literatuur betreffende specifieke klinische problemen. Sommige studies vinden inderdaad verschillen tussen de twee aktieve, geloofwaardige behandelingen wat betreft het ontbreken van duidelijke onderzoeker-trouw, maar deze zijn ongebruikelijk.

De fraude van ‘Continuing Education Credit’

[Een ‘continuing education unit’ (CEU) of ‘continuing education credit’ (CEC) is een maatstaf die wordt gebruikt bij programmas voor permanente opleiding, in het bijzonder deze die vereist worden bij een gecertificeerd beroep, opdat de professioneel een licentie zou krijgen of mag houden.]

De vereiste dat therapeuten ‘continuing education credit’ krijgen, is bedoeld om consumenten te beschermen tegen verouderde, ondoeltreffende behandelingen. Er is onvoldoende toezicht op de wetenschappelijke kwaliteit van wat wordt aangeboden. Nep-behandelingen worden gepromoot met pseudo-wetenschappelijke claims. Organisaties zoals de ‘American Psychological Association’ (APA) verbieden groepen hun leden uitspraken te doen die kritiek geven op de kwaliteit van wat wordt aangeboden en APA blijft ‘Education Credit’ geven voor valse en onbewezen behandelingen zoals ‘thought field therapy’ en ‘somatic experiencing’.

Het bieden van mogelijkheden voor ‘continuing education credit’ is een lucratieve business voor zowel accreditatie-agentschappen en sponsors. In de competitieve wereld van workshops en trainingen, overtroeft de entertainment-waarde het bewijs. Training in het verstrekken van ‘evidence-based’ handboek-behandelingen heeft weinig aantrekkingskracht als alternatieve trainingen patiënten-getuigenissen benadrukken en gebruik maken van dramatische vertoningen van plotseling therapeutisch succes d.m.v. zorgvuldig pers-klaar gemaakte videos, vaak met acteurs in plaats van de echte patiënten.

Het waarmerken van behandelingen als zijnde ondersteund door bewijs, wordt gebruikt om workshops en trainingen te adverteren waarin de gepresenteerde publiek-behagende interventies niet worden onderbouwd met bewijsmateriaal.

Degenen die ‘Acceptance and Commitment’ (ACT) workshops bijwonen, krijgen videos te zien waar de presentator mee-huilt met patiënten die worden herinnerend aan hun kindertijd. Ze zouden zich moeten afvragen: “Onderhoudend en onroerend misschien, maar is dit een ‘evidence-supported’ techniek?”.

Psychotherapieën met ietwat bewijs-ondersteuning worden verdedigd voor aandoeningen waarvoor er geen bewijs voor hun werkzaamheid is. Wat zou worden verworpen als “off-label toepassingen” voor geneesmiddelen [het gebruik van farmacologische agentia voor een niet-erkende indicatie, voor een niet-erkende groep, in een niet-erkende dosering of toediening-vorm] wordt routinematig aanvaard in psychotherapie-workshops.

We weten dat we beter kunnen

Psychotherapie-research heeft aanzienlijke verfijning bereikt qua ontwerp, analyses en strategieën om te compenseren voor het ontbreken van gegevens en het ophelderen van mechanismen van verandering.

Psychotherapie-onderzoek blijft achter t.o.v. farmaceutisch onderzoek, maar toch heeft het aanbevelingen en vereisten voor proef pre-registratie, met vermelding van de primaire uitkomsten; invullen van CONSORT check-lijsten [vraagt naar informatie bij het rapporteren van een RCT] om te verzekeren dat de basisgegevens van proeven worden gerapporteerd; pre-registratie van meta-analyses en systematische reviews op sites zoals PROSPERO [internationaal register van systematische reviews], evenals het invullen van de PRISMA [‘Preferred Reporting Items for Systematic Reviews and Meta-Analyses’; ‘evidence-based’ minimale set items voor het rapporteren in systematische reviews en meta-analyses] checklist voor geschikte rapportering van meta-analyses en systematische reviews.

Verklaringen van belangen-conflicten zijn zeldzaam en het bekend-maken van auteurs die routinematig geen melding maken van belangen-conflicten is nog zeldzamer.

Het achterwege laten van pre-geregistreerde protocollen in gepubliceerde rapporten van RCTs komt vaak voor en er is weinig controle op de discrepanties in samenvattingen van resultaten die daadwerkelijk werden verkregen of beloofd door auteurs bij de pre-registratie. De vereisten worden inconsistent en onvolledig nageleefd. Er is weinig kans dat niet-conforme auteurs verantwoordelijk zullen worden gesteld en een sterkte stimulans om positieve resultaten te rapporteren voor een studie, om in een prestigieus tijdschrift zoals het APA’s ‘Journal of Consulting and Clinical Psychology’ (JCCP) te worden gepubliceerd. Het onderzoeken van de samenvattingen van artikels gepubliceerd in JCCP geeft de indruk dat proeven bijna altijd positief zijn, zelfs als ze heel erg ‘under-powered’ zijn.

Psychotherapie-reasearch wordt uitgevoerd en geëvalueerd binnen een club, een gemeenschap van wederzijdse bewondering waarin de leden voorzichtig zijn om de resultaten van anderen niet te kleineren of standaarden af te dwingen die ze zelf zou minder streng zouden willen als het gaat om het publiceren van hun eigen onderzoek. Er is rivaliteit tussen “stammen” zoals psycho-dynamische therapie en cognitieve gedrag-therapie, maar onderdrukking van kritiek binnen de “stammen” en via zware inspanningen om te laten uitschijnen dat de leden van de “stammen” enkel doen wat werkt.

Hervorming van buiten-uit

Tijdschriften en hun redacteurs hebben zich vaak verzet tegen veranderingen zoals de goedkeuring van CONSORT, gestruktureerde samenvattingen en pre-registratie van proeven. De ‘Communications and Publications Board’ van de ‘American Psychological Association’ heeft er voor gezorgd dat APA één van de laatste grote, macht-houdende uitgevers was om CONSORT te onderschrijven, en aanvankelijk werd een ontsnapping-clausule geboden die stelde dat CONSORT enkel van toepassing was op artikels die expliciet werden bestempeld als een gerandomiseerde proef. Het bestuur blokkeerde ook de druk uitgeoefend door de uitgever van ‘Health Psychology’ voor het gebruik van gestruktureerde samenvattingen die betrouwbaar rapporteerden over de details die nodig zijn ter evaluatie van wat werkelijk werd gedaan in de proeven en van de resultaten de werden verkregen. In beide gevallen was het bestuur het meest bezorgd over implicaties voor de belangrijkste afzetmarkt wat betreft klinische proeven voor haar tijdschriften, ‘Journal of Consulting’ & ‘Clinical Psychology’.

Hoewel over het algemeen geen afnemer van psychotherapie-proeven, vertonen de tijdschriften van de ‘Association for Psychological Science’ (APS) tekenen dat ze nog slechtere overtreders zijn wat betreft het negeren van standaarden en het toelaten van bevestigende vooringenomenheid. Zo kost het een lezer veel moeite om te ontdekken dat een ‘high-profile’ artikel in ‘Psychological Science’ eigenlijk een gerandomiseerde proef was, en verder speurwerk om te ontdekken dat het een nietszeggende, ongeldige proef was. Er is geen enkele aanwijzing voor het feit dat ooit een CONSORT checklist werd ingediend voor de studie. En ondanks het feit dat de auteur de proef uit ‘Psychological Science’ gebruikte om haar workshops te promoten, werd geen melding gemaakt van een belangen-conflict.

Het nieuwe tijdschrift ‘Clinical Psychological Science’ van de APS vertoont tekenen van nog meer selektieve publicatie en bevestigende vooroordelen dan de APA tijdschriften. Er zal ongetwijfeld een strijd woeden tussen de klinische tijdschriften van de APS en de APA voor de top-positie in de hiërarchie wat betreft het publiceren van alleen maar artikels die aandacht trekken, zelfs als ze gebrekkig zijn, terwijl ze andere (negatieve proeven en mislukte replicaties) overlaten aan tijdschriften die als minder prestigieus worden beschouwd.

Voor een hervorming moet de druk van buiten het gebied van de psychotherapie komen: van mensen zonder gevestigde belangen bij het promoten van bepaalde behandelingen of van de behandelingen aangeboden door leden van professionele organisaties. De druk moet komen door sceptische externe toetsing door consumenten en beleidsmakers die zijn uitgerust om de spelletjes te begrijpen die psychotherapie-onderzoekers spelen bij het late uitschijnen dat alle behandelingen werken.

Specifieke tijdschriften zijn terughoudend om kritiek op hun publicatie-praktijken naar buiten te brengen. Als we in eerste instantie geen toegang kunnen krijgen tot publicatie van onze bezorgdheid, in de gewraakte tijdschriften, kunnen we betrouwen op blogs en Twitter om uitgevers op te roepen en uitleg te vragen over dwalingen van de ‘peer-review’ en het handhaven van de kwaliteit.

We moeten het scepsis-niveau van de belanghebbenden verhogen, bedrevenheid voor kritische evaluatie op grote schaal verspreiden en de toepassing hiervan verzekeren bij het beoordelen van overdreven claims en methodologische tekortkomingen in artikels gepubliceerd in prestigieuze, ‘high-impact’ tijdschriften. Slechte wetenschap bij de evaluatie van psychotherapie moet worden erkend als de huidige norm, niet als een anomalie.

We zouden ver kunnen geraken door het afdwingen van regels die er al zijn

We moeten de mislukkingen van tijdschriften om de regels over pre-registratie, bekendmaking van belangen-conflicten en discrepanties tussen gepubliceerde klinische studies en hun pre-registratie, continu publiek maken.

Er zijn te veel flagrante voorbeelden van onderzoekers die niet geven wat ze beloofden bij de pre-registratie, die registreren nadat de proef is begonnen met het aanwerven patiënten, en reviewers die blijkbaar niet altijd controleren of de primaire uitkomsten en analyses die werden voorgehouden bij de registratie van de proef daadwerkelijk worden geleverd.

Uitgevers zouden moeten

  • een expliciete verklaring eisen of de proef werd geregistreerd en waar.
  • aandringen dat reviewers de registratie van de proef consulteren, inclusief modificaties, en commentaar geven op welke afwijking dan ook.
  • uitdrukkelijk aangeven welke registratie gedateerd is nadat de aangroei van patiënten is begonnen.

CONSORT voor samenvattingen zou moeten worden verspreid en afgedwongen. Veel van de hype en verkeerde voorstellingen in de media begint met de eigen draai die auteurs in een samenvatting meegeven. Uitgevers moeten er op aandringen dat de belangrijkste analyses voor de pre-geregistreerde primaire uitkomst in de samenvatting worden voorgesteld en benadrukt bij de interpretatie van de resultaten.

Het zou niet meer mogen dat ‘under-powered’ verkennende piloot haalbaarheid-studies doorgaan als RCTs wanneer ze positieve resultaten opleveren. Er moet een ordelijke opéénvolging van de behandeling-ontwikkeling plaatsvinden vooraleer wat in wezen fase-3 [ter bevestiging van de doeltreffendheid en de veiligheid] gerandomiseerde proeven [gecontroleerd multi-centrum en bij grote patiënten-groepen] zijn, uit te voeren.

Bij de hervorming van psychotherapie-research, valt er iets te leren van farmacologische proeven. Een proces van interventie-ontwikkeling zou moeten bestaan uit het vaststellen van de haalbaarheid en fundamentele parameters van klinische proeven moeten vooraf gaan aan fase-3 gerandomiseerde studies, maar er kan niet worden verwacht dat ze fase-3 worden of effekt-groottes opleveren met als doel de werkzaamheid aan te tonen of ter vergelijking met andere behandelingen.

Het gebruiken van een wacht-lijst, geen behandeling en slecht gedefinieerde routine-zorg moet worden ontmoedigd als controle-groepen. Voor klinische aandoeningen waarvoor gevestigde behandelingen zijn, zouden ‘head-to-head’ vergelijkingen moeten worden uitgevoerd, alsook het opnemen van controle-groepen die het mechanisme zouden kunnen ophelderen. Een belangrijk voorbeeld van dit laatste zou gestruktureerde, ondersteunende therapie kunnen zijn die controleert voor aandacht en positieve verwachting. Er valt weinig te winnen van het verdere accumuleren van onderzoek waarbij de werkzaamheid van de verkozen behandeling wordt gewaarborgd door vergelijking met een verlamde controle-groep waarbij enig denkbaar element van affectieve zorg ontbreekt.

Evaluaties van behandeling-effekten moeten rekening houden met ‘prior probabilty’ [‘voorafgaande waarschijnlijkheden’; probabiliteit die de onzekerheid uitdrukt over een hypothese vooraleer er met bewijsmateriaal wordt rekening gehouden] die wordt gesuggereerd door de brede literatuur, over vergelijkingen tussen twee aktieve, geloofwaardig behandelingen. De goed bestudeerde literatuur over behandeling van depressie suggereert een aantal parameters: effekt-grootte geassocieerd met een behandeling is sterk verminderd wanneer vergelijkingen beperkt blijven tot geloofwaardige, aktieve behandelingen; studies van betere kwaliteit; en introduceren van controles voor onderzoeker-trouw. Het is onwaarschijnlijk dat initiële claims omtrent het feit dat een doorbraak-behandeling de efficiëntie van bestaande behandelingen zou overtreffen, zullen blijven worden ondersteund in grotere studies uitgevoerd door onderzoekers die onafhankelijk van ontwikkelaars en promotors werken.

Het openbaar maken van belangen-conflicten moet worden afgedwongen, en het niet openbaar maken moet worden geïdentificeerd in de correctie-verklaringen en verder bestraft. Onderzoeker-trouw dient te worden overwogen bij de beoordeling van het risico op vooringenomenheid .

Ontwikkelaars van behandelingen en personen die een aanzienlijke financieel voordeel halen uit een behandeling die ‘evidence-based’ wordt genoemd, moeten worden ontmoedigd om meta-analyses van hun eigen behandelingen uit te voeren.

Proeven moeten worden uitgevoerd met groepen die voldoende groot zijn om minstens matige effekten te kunnen opsporen. Bij publicatie van positieve bevindingen van ‘under-powered’ studies, pluizen lezers de literatuur uit op vergelijkbare ‘under-powered’ proeven die gelijkaardige positieve effekten bereiken.

Meta-analyses van psychotherapie zou ‘p-hacking’ technieken [het manipuleren van een statistische analyse, door het aanpassen van de resultaten, om de significantie (P-waarde) op te smukken] moeten omvatten om de kans te evalueren dat een patroon van significante bevindingen de vermoedelijke waarschijnlijkheid overschrijdt.

Bijwerkingen en nadelen moeten routinematig worden gerapporteerd, inclusief de kosten door gemiste kansen – zoals het niet kunnen verkrijgen van een meer doeltreffende behandeling.

We moeten de cultuur rond het uitvoeren van en rapporteren over psychotherapie-onderzoek verschuiven. We moeten weg van het aanprijzen van overdreven claims over een behandeling en vals bewijs dat wordt gegenereerd om opportuniteiten voor therapeuten en hun professionele organisaties te bevorderen. In de plaats daarvan is het veel lovenswaardiger om robuuste, duurzame, zelfs bescheidener claims aan te bieden, en hype en fraude te roepen op een manier die de geloofwaardigheid van psychotherapie behoudt.

Het alternatief [niet gewenst dus] is psychotherapie-onderzoek te blijven beschermen tegen strenge kritiek en tegen het handhaven van standaarden voor het uitvoeren en rapporteren van onderzoek. Men moet alleen maar het brandmerken van psychotherapieën als ‘evidence-based’ toestaan om in diskrediet te vallen.

augustus 24, 2013

Hoe de patiënten-revolutie starten

Filed under: Gezondheidszorg — mewetenschap @ 7:23 am
Tags: , , ,

Professor Stephen Holgate (‘MRC Clinical Professor Immunopharmacology’, ‘visiting professor’ Harvard & Yale universiteiten in de V.S.), voorzitter van het Brits ‘CFS/ME Research Collaborative’ (CMRC) stelde bij zijn toespraak voor de ‘Forward ME Group’ in de Britse senaat (Juli 2013) dat M.E./CVS waarschijnlijk niet één ziekte, of zelfs slechts enkele verschillende, is maar misschien wel 15 verschillende oorzakelijke paden zijn (met elkaar verbonden, aanleiding gevend tot 5 à 6 onderliggende ziekte-mechanismen)… In een artikel – ‘Chronic Fatigue Syndrome: understanding a complex illness’; Nature Reviews Neuroscience (2011; samen met Anthony Komaroff & Simon Wessely)  schreef hij dat zoeken naar dé oorzaak van M.E./CVS  een verloren zaak (“a self-defeating exercise”) is…(???!!! Natuurlijk dient verder te worden gezocht naar oorzaken, meervoud!)

Holgate vond echter ook dat de patiënten partners in de research moet worden. Door de complexiteit van de ziekte is het misschien niet verrassend dat er zo weinig vooruitgang wordt geboekt. Hij zei dat sommige researchers gechoqueerd zijn door de slechte kwaliteit van veel M.E./CVS-onderzoek en gaf zelfs de commentaar dat sommigen er “een carrière van maken” gebaseerd op M.E./CVS-theorieën die wel heel erg wankel zouden kunnen blijken…

Hij meent dat de enige manier om een dergelijk complex probleem aan te pakken, is door de individuele causale molekulaire mechanismen op te sporen en te begrijpen. Zijn visie op M.E./CVS-research vereist een radicale verandering. De meerderheid van de research veronderstelt nog dat wat M.E./CVS ook triggert, wordt bestendigt door gebrekkige denk- en gedrag-patronen van de patient. Er is een nieuwe benadering nodig die focust op verschillen tussen patiënten!

Holgate bevestigt dat er een afbraak van vertrouwen is ontstaan tussen patiënten, gezondheidzorg-verstrekkers en onderzoekers. Hij wil dit veranderd zien en wijst er op dat in de meeste gebieden van de geneeskunde de stem van de patient nu wordt gewaardeerd en erkend (zie artikel hieronder).

Medisch Adviseur van de ‘ME Association’, Dr Charles Shepherd, zei dat het CMRC wil dat patiënten vergaderingen bijwonen en onderzoekers ontmoeten. Holgate voegde eraan toe dat patiënten kunnen helpen bij het opstellen van de research-agenda! Een dergelijk initiatief zou ook in de Lage Landen worden toegejuicht…

————————-

British Medical Journal 2013; 346 (gepubliceerd 14 mei 2013)

Editoriaal

Let the patient revolution begin

Tessa Richards, analysis editor (1), Victor M Montori, professor (2), Fiona Godlee, editor in chief (1), Peter Lapsley, patient editor (1), Dave Paul, secretary of the patient advisory group (2)

1 BMJ, London WC1H 9JR, UK

2 Knowledge and Evaluation Research (KER) Unit, Mayo Clinic, Rochester, MN, USA

Patiënten kunnen de gezondheidzorg helpen verbeteren: het is tijd om het partnerschap serieus te nemen

Honderd jaar geleden bekritiseerde George Bernard Shaw [Iers toneel-auteur, socialist; ondersteunde de strijd voor gelijke rechten voor vrouwen en was voorstander van gelijke beloning voor mannen en vrouwen; overtuigd vegetariër] de medische professie scherp als een samenzwering tegen leken. Vandaag wekken gezondheidzorg-systemen (waar ziekte en artsen centraal staan) die duur, verkwistend, gefragmenteerd en te vaak onverschillig zijn, gelijkaardige gramschap op. [Gezondheid-economische systemen mogen, zoals we eerder al schreven, niet al te zeer gericht zijn op economische doelstellingen (besparingen) maar moeten in de eerste plaats medische (genezing of voorkomen van invaliditeit) betrachten.]

Ondanks de beste bedoelingen en het onmiskenbaar vakmanschap van veel mensen die in de gezondheidzorg werken, variëren toegang tot zorg en de kwaliteit ervan sterk, en de meeste mensen in rijke landen krijgen een verwarrende mengelmoes van testen en behandelingen voorgeschoteld waarvan de verdiensten gehyped en de schade gebagatelliseerd worden. [Daarom blijft het ook noodzakelijk steeds bewust te blijven van de (commerciële) belangen van de betrokken onderzoekers/klinici.] Patiënten krijgen geen informatie over variaties qua praktijken, de doeltreffendheid van hun zorg en de mate van medische onzekerheid. De praktijk wordt informatie gevoed via een onvolledige research-basis die wordt misbruikt door selektie- en rapportering-vertekening en in het slechtste geval fraude. Het behoud van de institutionele bureaucratieën, evenals professionele en commerciële belangen, hebben consequent de belangen van de patiënten overtroefd. Het industrieel complex van de gezondheidzorg wordt beschuldigd van het verliezen van haar moreel doel. Deze corruptie in de gezondheidzorg vereist een snelle correctie. En hoe dit beter te doen dan door het inroepen van de hulp van degenen waar het systeem ten dienste voor zou moeten staan – patiënten? Ze begrijpen, veel beter dan artsen, de realiteiten van hun toestand, de impact van hun ziekte en behandeling ervan op hun leven en hoe diensten beter kunnen worden ontworpen om hen te helpen.

Klinici en patiënten moeten in partnerschap samenwerken als we de gezondheidzorg willen verbeteren en diep-gewortelde praktijken en gedragingen willen uitdagen. Dit zal voor beide kanten niet gemakkelijk zijn na eeuwen van paternalisme [zie ‘Arts-Patient: Partnerschap; GEEN Paternalisme] en sommige patiënten zullen blijven hun arts verkiezen om de leidende rol in de besluitvorming te nemen. Maar goede voorbeelden tonen de weg. Het initiatief ‘Choosing Wisely” in de V.S. (www.choosingwisely.org) brengt patiënten en artsen samen om het gebruik van ongerechtvaardigde en ondoeltreffende interventies te identificeren en te verminderen. Discussie-groepen van patiënten, verzorgers en artsen onder leiding van de ‘James Lind Alliance’ in het Verenigd Koninkrijk en de ‘Patient Centred Outcomes Research Institute’ in de Verenigde Staten, werpen licht op de mismatch tussen de vragen waarop patiënten en artsen antwoorden willen en deze die researchers onderzoeken. Gezamelijke discussies hebben geholpen bij het opzetten van een database van onzekerheden over de effekten van behandelingen (www.library.nhs.uk/duets).

Patiënten en artsen werken ook samen om nieuwe diensten en informatie-systemen te ontwerpen. Leiders in innovatieve partnerschappen omvatten ‘ReshapeHealth’ (www.radboudreshapecenter.com [Programma opgezet door het Radboud Universiteit Nijmegen Medisch Centrum met als doel “[…] ‘self-empowerment’ van patiënten, waarbij de patient, haar/zijn familie en informele zorg samen worden gebracht met het gezondheidzorg-team […]”]), wat baanbrekend is wat betreft patiënten-geleid en ‘crowd-funded’ onderzoek. Een groeiend aantal van gezondheidzorg-organisaties geven patiënten de toegang tot, en in sommige gevallen controle over, hun medische dossiers. In de ‘Mayo Clinic’ geeft een gratis app patiënten volledige toegang tot hun medische notities, pathologie- en radiologie-rapporten, en omdat een verschuiving van de macht afhankelijk is van het vestigen van een gemeenschappelijk lexicon, wordt er gewerkt om het medisch jargon hierbij te verminderen. Er zijn richtlijnen over waarom en hoe om te gaan met patiënten (http://epatientdave.com/let-patients-help) en een aantal patiënten treden al op als ‘sherpa’ om het gezamenlijk werken te bevorderen, met inbegrip van leden van de participatieve geneeskunde beweging (http://participatorymedicine.org).

Online patiënten-gemeenschappen waar patiënten elkaar ontmoeten, praten, ondersteunen, informeren en elkaar coachen, geven patiënten ‘empowerment’ (al is het belangrijk in gedachten te houden wie hen sponsort). Ze bieden ook een rijke en nog grotendeels onontgonnen leer-bron voor gezondheid-professionals. Voorbeelden hiervan zijn healthunlocked.com, healthtalkonline, rawarrior.com en cancergrace.org. Er zijn heilzame lessen te leren uit de kloof tussen gesprekken in de kliniek en de bezorgdheden die patiënten met elkaar delen.

Belangen-behartiging voor patiënten-engagement in de V.S., het Verenigd Koninkrijk, het Europees vasteland en ook daarbuiten wordt grotendeels gedreven door het geloof, gesteund door enig bewijsmateriaal, dat het engageren van patiënten de kosten voor gezondheidszorg zal verminderen door het vermijden van onnodige onderzoeken en behandeling. [Maar men dient in het achterhoofd te houden dar het al dikwijls is gebleken dat het al te zeer beperken van het gebruik van diagnostische instrumenten kan leiden tot mis- of veel te late diagnose met ontzettende medische en financiële schade tot gevolg!] Betrokkenheid van patiënten wordt gezien als een manier om te helpen gezondheid-systemen duurzamer te maken. Sommigen hebben betoogd dat dit het “blockbuster medicijn van de eeuw” is en gelijkwaardige dividenden zal opleveren.

Maar partnerschappen met patiënten aangaan, moet worden gezien als veel meer dan de nieuwste route naar gezondheidzorg-efficiëntie. Het gaat over een fundamentele verschuiving in de macht-struktuur in de gezondheidzorg en een hernieuwde focus op de kern van de missie van de gezondheidzorg-systemen. We moeten aanvaarden dat expertise qua gezondheid en ziekte zowel buiten als binnen medische kringen te vinden is en dat samenwerken met patiënten, hun families, lokale gemeenschappen, maatschappelijke organisaties en deskundigen in andere sectoren essentieel is voor het verbeteren van de gezondheid. Revolutie vereist gezamelijke deelname aan de ontwikkeling en implementatie van nieuw beleid, systemen en diensten, alsmede aan de klinische besluitvorming.

Er is nog veel te ontdekken, evalueren en implementeren om zinvolle samenwerking met patiënten te bereiken. Er is ook een behoefte om gedeelde besluitvorming ingang te doen vinden, op basis van voorkeuren en doelen van individuele van patiënten, in de routine-praktijk. Op een open bijeenkomst in juni 2013 in Peru (www.isdm2013.org), kon de gedeelde besluitvorming gemeenschap het wereldwijde debat over de nieuwste denkwijzen en research volgen en verderzetten.

Van haar kant intensiveert het BMJ haar inzet voor patiënten-partnerschap. We hebben al een online verzameling van artikelen over gezamenlijke besluitvorming en een groeiende bibliotheek artikelen over patiënten-ervaringen. Nu willen we een strategie ontwikkelen voor patiënten-partnerschap die zal worden weerspiegeld in het ganse tijdschrift. We zijn van plan een panel van patiënten en artsen op te zetten om ons te helpen met dit werk te stellen en zullen verslag uitbrengen over onze vorderingen.

Er werd gezegd dat de gezondheidzorg niet beter zal worden totdat de patiënten een leidende rol spelen bij het verbeteren ervan. [Hadler NM. The citizen patient. University of North Carolina Press, 2013] We zijn het daarmee eens en kijken uit naar het helpen aanjagen van de patiënten-revolutie.

oktober 13, 2012

Ethiek & ‘Evidence-Based’ Geneeskunde

Filed under: Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 12:31 pm
Tags: , , , ,

Mis- (en dus) onder-diagnose M.E.(cvs), ontnemen van utkeringen van patiënten, druk op artsen/onderzoekers, wetenschap-fraude, enz. De research aangaande M.E.(cvs) en de berichtgeving wordt danig vertroebeld. In het licht daarvan her-lazen we een artikel van een arts en ethicus/filosoof die daaromtrent enkele rake dingen weet te vertellen. We reproduceren de inleiding en de samenvatting, en geven enkele citaten uit zijn betoog mee. Het volledig artikel (waarvan de argumentatie nuttig zou kunnen zijn voor patiënten-steungroepen) is te vinden op http://www.ncbi.nlm.nih.gov. Stof tot nadenken! En een oproep tot intellectuele eerlijkheid!

————————-

Medscape General Medicine (2007); 9(3): 30

Ethics and Evidence-Based Medicine: Is There a Conflict?

Erich H. Loewy, Professor in de Geneeskunde (emeritus); stichter afdeling bio-ethiek (Department Filosofie, Universiteit van Californië)

Samenvatting

Dit artikel bespreekt de voordelen, nadelen en valkuilen waartoe ‘evidence-based medicine’ (EBM) kan leiden en suggereert dat, om ethisch geldig te zijn, EBM gericht moet zijn op de belangen van de patient en niet op de financiële belangen van anderen. Hoewel financiële overwegingen in geen geval triviaal zijn, is het hypocriet – zo niet gevaarlijk – ze te verbergen achter woorden zoals ‘bewijs’ of ‘kwaliteit’.

Inleiding

Toen de uitdrukking voor het eerst werd bedacht, verwees ‘evidence-based medicine’ eenvoudigweg naar het gebruik van een behandeling die bewezen en getest was op rigoureuze wijze, waarna ze “state of the art” werd. EBM is niet ontsnapt aan kritiek, hetzij ten gevolge de veronderstellingen die ze maakt of de manier waarop ze ondertussen wordt gebruikt. Sterker nog: een aantal critici zijn zo ver gegaan om de rede [het verstand] “de meest hardnekkige tegenstander van EBM” te noemen. Als men zich strikt houdt aan de terminologie en de daaruit voortvloeiende definitie (t.t.z. dat ‘goed’ medisch handelen moet gebaseerd zijn op bewijs dat ‘x’ nuttig is bij de behandeling van de ziekte ‘y’ voor een gedefinieerde groep ‘z’) kan men moeilijk ronduit tegen EBM zijn. Vermoedelijk zou het enige alternatief voor die definitie “mythe of op geruchten gebaseerde geneeskunde” zijn […], wat uiteraard niet aanvaardbaar is als waarachtige en geldige EBM beschikbaar is en geschikt lijkt. Niettemin, zoals de zaken nu liggen: indien EBM dan toch érgens van toepassing is, is het aan het ziekbed en zeker niet bij experimentele procedures (waarvan de essentie is: verder te gaan dan wat we al weten).

Ik zal ‘bewijs’ hier gebruiken in de betekenis van een statistisch geldig besluit aangaande een rigoureus gedefinieerde groep. Het is evident dat goed opgeleide biomedische statistici met statistieken moeten omgaan en dat wat een goed gedefinieerde groep […] uitmaakt, wordt bepaald door artsen en onderzoekers die deskundig zijn op het gebied van wat wordt bestudeerd.

Omdat we communiceren in woorden, is de grootste zorgvuldigheid nodig. Veel van wat wordt aangeprezen als ‘bewijs’, is echter bewijs voor slechts een bepaalde groep onder bepaalde omstandigheden en dat kan totaal onwerkzaam zijn bij een andere groep. […]

We moeten, denk ik, zeer zorgvuldig zijn bij het definiëren van wat we verder als ‘bewijs’ zullen accepteren. Verder zijn er altijd mensen die, hoewel ze heel dicht bij een bepaalde groep passen, toch anders reageren dan deze groep. EBM spreekt over een grote statistische groep mensen en kan dus niet simpelweg op onbedachtzame wijze worden toegepast op de individuele patient. Helaas wordt EBM vaak op ongepaste manier gebruikt. Eigenlijk ontbreekt het werkelijk harde bewijs (dubbel-blinde studies toegepast op een specifieke groep) helemaal. En omdat goede ethiek begint met goede feiten, krijgt de kwaliteit van de feiten zelf ethische betekenis.

Patiënten verschillen qua leeftijd, robuustheid, voorafgaandelijke of bijkomende ziekte, en een groot aantal andere pathofysiologische feiten. Net zo belangrijk: ze verschillen qua culturele, sociale en economische factoren. Geconfronteerd met een individuele patient is het vaak moeilijk vast te stellen wie waar past. […] EBM is noodgedwongen gebaseerd op gemiddelden met de onontkoombare ‘Mevr. Janssens’ die niet onder de Gauss-curve  [klok-vormige curve die de verdelingen van de aantallen van een bepaalde waarde aangeeft] valt.

We moeten allereerst begrijpen hoe het begrip ‘normaal’ wordt bepaald. Laten we zeggen dat we een bereik voor ‘normale waarden’ voor een bepaalde parameter willen vastleggen. Van een zeker aantal (door statistici voldoende geacht voor de studie) vermeende gezonde vrijwilligers wordt bloed afgenomen en onvermijdelijk zal een aantal waarden te laag of te hoog zijn. De grafiek zal altijd dezelfde klok-vormige curve geven. De lagere zowel als de hogere waarden worden uitgesloten, en de rest van wat overblijft wordt ‘normaal’ genoemd. Dit betekent niet dat de 5% die aan beide zijden buiten het normaal bereik liggen ‘ziek’ zijn; nogmaals: het geeft eenvoudigweg aan dat, hoewel men een groot aantal vermeende fitte personen gebruikt om het ‘normaal’ bereik te bepalen, men het proces niet kan omkeren en het toepassen op de patient die wordt onderzocht. […]

Statistische gegevens zijn enkel dat: ze vertellen ons, bijvoorbeeld, of een bepaalde groep mensen (en wat bedoeld wordt met ‘groep’ is hier essentieel om weten) het beter stelt met medicijn ‘A’ of met medicijn ‘B’, maar ze vertellen ons weinig over elke individuele patient die wordt behandeld.

Eén van de andere problemen is dat EBM begon als een nuttige geheugen-steun – een herinnering aan wat, in het algemeen en voor het grootste deel, superieur was t.o.v. andere manieren van handelen. Helaas heeft EBM de neiging om een keurslijf [sterker: dwangbuis] te worden, en artsen die afwijken van dergelijke EBM-algoritmen lopen het risico ‘op het matje’ te worden geroepen. Sommige EBM werd ingegeven door de wens de beste en meest moderne zorg beschikbaar te maken maar; net zoals ‘kwaliteit-controle’, heeft het steeds minder te maken met het goede voor de patient dan met institutionele kosten en winsten. Er is niets mis met kosten-beheersing, zolang het als zodanig wordt gelabeld, in plaats van gebruikt te worden als een eufemisme voor kwaliteit of bewijs. Maar als wij, als mensheid, onoprechtheid de norm laten worden en niet meer verstoord worden leugens omwille van het gemak of eufemismen gebruiken met een knipoog en een knikje te gebruiken, wordt hypocrisie de norm, en de samenleving alsook het beroep [bedoeld wordt: arts/onderzoeker] wordt aangetast. Het lijkt bijna dat dit het tijdperk van eufemismen is. In een samenleving die prat gaat op ‘politieke correctheid’, mag dit geen verrassing zijn.

Verder moeten we in het bijzonder voorzichtig zijn met wat we ‘evidence-based medicine’ noemen.. Bewijsmateriaal verkregen bij 20 – tot 30-jarige atleten kan niet worden toegepast op 50 – tot 60-jarige vrouwen die een sedentair leven leiden. Men kan niet van volwassenen naar kinderen extrapoleren of van een Amerikaanse middenklasse-familie naar mensen uit de Australische ‘bush’. Behalve het feit dat deze onjuiste toepassing op onverklaarbare wijze aanhoudt, zou het niet het vermelden waard zijn. Hoe definiëren we ‘bewijs’? Via welke criteria? Wat vormt aanvaardbaar bewijsmateriaal? Bovendien verwerken individuen medicijnen vaak op een verschillende manier; de ene persoon metaboliseert medicijnen snel en heeft daarom een hogere dosis of frequentere toediening nodig, hoewel EBM er op zou kunnen wijzen dat dit voor de meeste mensen niet zo is. De meeste ouderen metaboliseren medicijnen langzamer, maar sommige niet. Wanneer een patient zijn/haar arts vertelt dat hij/zij altijd medicijnen snel heeft afgebroken of uitgescheiden, komt het antwoord “Nou, dat zou ’t geval niet mogen zijn, je bent meer dan 70.” als absurd over – hoewel ik dat (of iets dergelijks) al daadwerkelijk heb gehoord, bij verschillende gelegenheden. Het is één van de klassieke manieren waarop statistieken verkeerd worden gebruikt.

Helaas, alleen maar omdat er iets nieuws is ontdekt, getest als “goed werkend” werd bevonden, betekent het niet dat het correct is. Ik herinner me […] dat een antimicrobieel middel genaamd oleandomycine werd ontdekt en hartstochtelijk werd beoordeeld in de literatuur. Enkele jaren later bleek het waardeloos bij infekties en wordt het tegenwoordig zelden gebruikt […]. Stel je voor dat EBM het in de aanbevelingen zou hebben opgenomen op het moment dat het enthousiasme voor oleandomycine hoog opliep. Er zullen ‘ketters’ zijn die gewoon sceptisch zijn dat wat we voor waar aannemen wat waar is – vaak worden hun ideeën niet gepubliceerd, geminacht en soms jaren beschouwd als “onthulde wijsheid”. Het verhaal van Helicobacter pylori als veroorzaker van een groot percentage van maagzweren zou als waarschuwing moeten dienen; het pastte destijds niet bij het heersend ‘dogma’ van de geneeskunde en kon daarom zelfs niet eens worden gepubliceerd. Trouwens: weigeren om een artikel te publiceren, kan een zeer doeltreffende vorm van censuur zijn. We hebben hard nood aan een “Tijdschrift voor negatieve resultaten”, gewijd aan experimenten waarbij een redelijk-lijkende hypothese niet waar bleek. Wat niet waar blijkt te zijn, is minstens zo belangrijk als wat wordt gedacht waar te zijn en kan een herhaalde uitstap naar een doodlopend straatje voorkomen.

Het probleem is, zoals gewoonlijk, geld. De meeste instellingen waar onderzoek wordt gedaan en de meeste farmaceutische bedrijven geven subsidies, hebben een clausule waarin wordt toegelaten dat de onderzoeker negatieve resultaten publiceert. In theorie is er geen reden waarom bevindingen die al dan niet de waarde van het getest geneesmiddel onderbouwen, niet als ‘minderwaardig’ zou mogen worden gelabeld of vermeld dat er aanzienlijke bijwerkingen aan zijn verbonden. Tenslotte voldeed het onderzoek vermoedelijk toch aan de normen van de ‘Institutional Review Board’ (IRB). Een andere favoriete truc is om het nieuwe medicijn ‘X’ te vergelijken met het ‘oude medicijn’ of met ‘een placebo’. De reden waarom farmaceutische bedrijven van placebo-onderzoek houden, is dat de resultaten veel indrukwekkender zijn wanneer het nieuwe geneesmiddel ‘X’ wordt vergeleken met een placebo in plaats van met een gevestigd – zij het slechts in bescheiden mate bevredigend – medicijn.

Niettemin: waar een wil is, is een weg. Het staat de experimenteerder geheel vrij resultaten te publiceren die aantonen dat het getest geneesmiddel inferieur is aan het momenteel gebruikte medicijn. Is er iemand die werkelijk denkt dat haar/zijn eerlijkheid en openhartigheid de uitkomst niet zal beïnvloeden, de volgende keer dat zij/hij de firma om nieuwe fondsen verzoekt? Uiteraard is de experimenteerder volledig vrij om resultaten te publiceren die aantonen dat het geneesmiddel dat wordt getest, inferieur is aan de behandeling-standaard. Tijdschriften, die sterk afhankelijk zijn van advertenties van dergelijke bedrijven, houden echter niet van het risico artikels te publiceren die niet gunstig zijn voor hun adverteerders.

Ik ben het er helemaal mee eens dat bij veel van wat we doen in de geneeskunde, rigoureuze motivering ontbreekt en gebaseerd is op anecdotes. […] Er zijn honderden van vooroordelen of mythen in de geneeskunde die zo zijn verankerd dat geen enkele IRB een vergelijking met een controle-groep zou toelaten om op een andere manier te meten, en dus zullen we het waarschijnlijk nooit weten. Maar als we echter de weg van EBM op gaan, moeten we de vastgelegde criteria rigoureus definiëren en toepassen, en moet we ons altijd bewust zijn van de gevaren en niet enkel de voordelen omarmen. Artsen moeten over voldoende armslag beschikken om op basis van gegronde redenen af te wijken van de huidige EBM.

EBM moet worden bekeken door de filter van de persoonlijke opleiding en ervaring, juist omdat EBM geen rekening houdt en kan houden met alle variabelen, en persoonlijke ervaring biedt deze variabelen. Het is zoals het verschil tussen experimenteel evenwicht en persoonlijk evenwicht. Het eerste verwijst naar statistieken, het tweede de statistieken gezien door de ogen van de persoonlijke ervaring.

Bovendien, en voor mij van uiterst belang, moeten EBM-protocollen, zoals voor medicijnen of voedsel, een verval-datum hebben waarna ze moeten worden herzien op een veel betere dan oppervlakkige manier, om ervoor te zorgen dat ze nog steeds legitiem zijn. Re-evaluatie van EBM-protocollen zou bovendien een mooie gelegenheid voor een deel van vervolg-opleiding kunnen zijn.

De meeste dingen die we vandaag de dag in de geneeskunde doen, zijn in geen geval strikt ‘evidence-based’, men hoopt dat dit zal veranderen maar dat zal pas zo zijn als de term ‘bewijs’ strikt wordt toegepast. Maar zelfs dan, houdt een medische behandeling veel meer in dan het voorschrijven van geneesmiddelen of het opereren op mensen. Artsen zijn zelf, omwille van hun aard, therapeutische instrumenten – iets dat niet kan worden afgewogen en gemeten zoals EBM zou doen vermoeden. Er is en zal altijd een verschil zijn tussen 2 individuen die dezelfde pathologie hebben maar heel verschillende mensen zijn. “Eén maat voor allen.”, werkt niet goed voor kleding, het werkt helemaal niet in de geneeskunde.

Ingevingen versus “Harde” Feiten

[De intuïtie van de arts is niet iets mysterieus of occult; door haar/zijn ervaring kunnen een groot aantal feiten in het hele verhaal van de patient worden geïntegreerd… Men zou ingevingen niet zomaar mogen verwerpen enkel en alleen om dat ze niet stroken met de EBM van de dag.]

Vertragen van Vooruitgang

[EBM heeft de neiging de nieuwsgierigheid en verbeelding te onderdrukken. De nadruk op EBM, alsook het binnen de perken houden hiervan, is grotendeels te wijten aan de vooringenomenheid van de gemeenschap voor winst-bejag. ‘Efficiëntie’ is voor aandeelhouders van bedrijven (verzekering-maatschappijen) van het grootste belang. Bio-ethici en artsen moet er voor zorgen dat patiënten tijdens experimenten worden beschermd en moeten hen behoeden voor over-behandeling. Jammer genoeg wordt er weinig ondernomen tegen ‘onder-behandeling (te vroeg opgeven, de autonomie van de patient vergeten en veelbelovende pistes onbenut laten.]

Naar een Meer Groep-Geschikte Toepassing

[Een bepaalde groep kan meer (of minder) geneigd zijn op een bepaalde manier te reageren maar dit zegt niet rechtstreeks iets over een specifieke patient. EBM, tenzij uitgeprobeerd bij verscheidene groepen en onder verschillende omstandigheden, moet met grote voorzichtigheid worden aangewend. Men kan EBM niet zomaar extrapoleren (bv. van mannen naar vrouwen, van jongeren naar ouderen).]

Armslag Bieden

[Artsen moeten uitleggen waarom ze, in een bepaald geval, afweken van EBM en hebben dus minder armslag bij het nemen van hun beslissingen (laboratorium-testen, beeldvorming, consultaties of medicatie). Ook hier blijft het primair belang dat van verzekering-maatschappijen en gelijkaardige instellingen, niet het welzijn van de patient. Een arts die een doeltreffende behandeling kent maar deze info hierom achterhoudt of bagatelliseert, handelt on-ethisch.]

Een Educatief en Geen Bestraffend Instrument

[EBM kan een educatief instrument zijn maar is het zelden. EBM louter volgen omdat het wordt opgedragen, is vernederend en anti-intellectueel. Een sociaal systeem is géén ‘werk van God of de natuur’ maar iets dat we allen samen hebben geconstrueerd. We geven de schuld van onze sociale tekortkomingen (ontoegankelijk en/of onvolkomen gezondheid-verzekering) aan het systeem. Het is wel waar en kan worden gebruikt als verklaring; maar het is geen excuus. EBM is onverschillig wat betreft persoonlijke of sociale omstandigheden maar komt voort uit het geloof dat waar artsen mee omgaan, ziekte is en niet de patiënten die er aan lijden. EBM kleineert de arts, die een protocol moet volgen waarvan zij/hij weet dat het misschien niet in the belang van de patient is en bijgevolg het zelf-respect van de arts ondermijnt.]

Samenvatting: Voor- en Nadelen van EBM

Er zijn meerdere voordelen en een nadeel aan EBM. Het ‘proeven van de pudding’ is zo te zeggen ‘het eten’! Indien correct toegepast zouden EBM en haar aanverwanten de volgende voordelen kunnen hebben:

  • Bij het betrouwbaar en correct toepassen op een persoon die behoort tot die bepaalde groep (bv. etniciteit, geslacht, economische status, enz.) kunnen EBM-protocollen nuttig zijn, en soms nodig, voor een bepaalde patient. Maar EBM is, naar mijn mening, helemaal niet nodig voor een goed-opgeleide en attente arts.
  • Bij discreet gebruik is EBM handig als een controle-lijst die ervoor zorgt dat er niets van vitaal belang over het hoofd wordt gezien.
  • De ontwikkeling van EBM, indien correct gebruikt en met het welzijn van de patient als belangrijkste overweging, kan zeer nuttig zijn bij het educatieve proces. De suggestie dat EBM een protocol is waarop een patient met een bepaalde ziekte simpelweg kan worden aangesloten, vernietigt elke educatieve waarde die de ontwikkeling van een dergelijk instrument ooit heeft gehad.

Ik zelf, als bio-ethicus en (lang geleden) arts die de evolutie van EBM heeft geobserveerd, ben onder de indruk van het gevaar voor artsen, patiënten, het educatieve proces en, uiteindelijk, het gedrag dat het stimuleert. Onbedachtzame afhankelijkheid van EBM doet precies wat we niet willen dat onze studenten doen: wat een lijdende mens is, met een unieke persoonlijke leven-geschiedenis, omzetten in een pathofysiologisch specimen.

  • EBM is in principe anti-intellectueel en is eerder ‘doen’- dan ‘denken’-georiënteerd, in de zin dat het een hersenloos algoritme promoot. Ik zou willen beweren dat één van de belangrijkste taken van een arts is dat zij/hij denkt. EBM-protocollen – die inherent met hun aard check-lijsten zijn – leren studenten of assistenten slechts zelden om na te denken; ja, ze ontmoedigen het.
  • Er is een neiging om EBM-protocollen te beschouwen als “de juiste manier om dingen aan te pakken” in plaats van als “de huidige (minimaal doeltreffende) manier om dingen te doen”. […]
  • EBM-protocollen worden, samen met onze groeiende technische mogelijkheden, steeds meer obstakels voor ons denken en uiteindelijk interfereren ze met de arts-patient-relatie van vertrouwen, een essentieel onderdeel van goede zorg.
  • EBM-protocollen worden aanvankelijk beschouwd als wegwijzers en uiteindelijk als dwangbuizen – en dwangbuizen die door veel artsen worden verwelkomd (één vertelde me zelfs dat zij/hij er enthousiast over was omdat ze tijd bespaarden en het niet nodig was dat zij/hij er over na dacht!).
  • Erger dan dat – en ook al zullen ze dit ontkennen – instellingen beschouwen dit beleid niet als richtlijnen maar als keurslijf. Artsen die deze “richtlijnen” niet volgen, kunnen dan worden op het matje geroepen – niet omdat de patient leed maar omdat de instelling geld verloor.
  • Wanneer een officiële EBM verkondigd wordt, zijn artsen vaak bang om op meer armslag bij hun behandeling aan te dringen. Dit is, naar mijn mening, een grote fout en één die vernederend en kleinerend is voor het beroep dat wordt verondersteld de zieken te behandelen op basis van hun ‘eden’, die allemaal stellen dat etniciteit, politieke, nationale of financiële omstandigheden de besluiten niet mogen beïnvloeden.

Artsen worden, net als vuilnis-mannen of politie-officieren, gesocialiseerd om te geloven dat ze bepaalde verplichtingen hebben. De maatschappij verwacht het van hen, en hoewel een verwachting geen verplichting betekent, geeft een redelijke verwachting – waarvan gedurende jaren wordt volgehouden dat het een verplichting betekent – aan dat het stilzwijgend als zodanig geaccepteerd wordt. Artsen hebben in feite altijd de verplichting gehad om pleitbezorger voor de patient te zijn had en, in het algemeen, zijn ze dat ook geweest. Maar vandaag de dag creëeren we een samenleving waarin artsen worden verscheurd door wat ze denken hun verplichtingen te zijn aan (1) hun werkgever en (2) hun patiënten. […] De belangrijkste ethische verplichting van de CEO is te zien dat de aandeelhouders winst maken. Dat is niet echt het doel van patiënten en artsen, en dus minstens een bron van conflict.

Artsen zouden kunnen – als ze wisten wat solidariteit is en niet alleen lippendienst bewijzen aan een concept dat ze niet begrijpen – bepaalde eisen stellen naar een goede patiënten-zorg toe (en vooral plannen die genoeg tijd aan patiënten besteden) en, indien deze worden afgewezen, beginnen met stakingen. Men kan een aanvang nemen door te weigeren formulieren in te vullen en verder gaan met het niet zien van patiënten voor triviale dingen – en ik durf te wedden dat een verdere escalatie niet nodig zou zijn. Als dat zo was, zou – geloof ik – “behandeling van goed gedefinieerde ‘noodgevallen’” op korte termijn wel succesvol blijken. De eisen van de arts moeten vooral patient-gericht zijn, waardoor de sympathie van het publiek snel verzekerd zou zijn. Hoewel de meeste artsen-organisaties vrij goede plannen voor universele gezondheid-zorg hebben, zullen deze verschillende plannen van internisten, huisartsen, enz. worden genegeerd, terwijl een breder afgesproken plan dat op voorhand goed uitgewerkt is, en gepresenteerd wordt aan beleidsmakers en andere vertegenwoordigers (vooral als de media betrokken zijn), ernstig zal worden genomen. Tot onze eeuwigdurende schande hebben de twee grootste verenigingen van bio-ethici in dit land geweigerd een standpunt in te nemen. Eén van deze organisaties heeft er uiteindelijk voor gestemd dat het zou beginnen een standpunt in te nemen, maar niet omtrent de zaken waarbij de algemene bevolking is betrokken – enkel wat betreft universiteit-conflicten, salarissen en andere dingen waar de leden van de organisaties voordeel mee doen, maar niet ten behoeve van de patiënten of de samenleving.

Terwijl ik bekeek hoe EBM-protocollen zich ontwikkelden, werd ik getroffen door de bereidheid van intelligente mensen zich te laten onderwerpen. Tijdens de verschillende vergaderingen waren de aard van EBM-protocollen en hun potentieel voor misbruik niet het onderwerp van discussie. Artsen waren eerder erg bezorgd over het feit of een bepaald antibioticum kon worden gebruikt, enz. Ze slaagden er niet in het dreigend gevaar te zien dat deze “nuttige richtlijnen” van vandaag, de dwangbuizen van morgen zouden worden die moeten worden gehoorzaamd. […]

Een paar jaar geleden begon een ziekenhuis (het belangrijkste onderwijs-ziekenhuis van een universiteit waar ik ooit les gaf, protocollen voor bepaalde ziekten te ontwerpen. […] Wat ik vrees is dat artsen zullen toegeven aan deze ‘systeem-fout’ en in plaats van het systeem te bestrijden, er simpelweg zullen aan voldoen. In plaats van een reeks van opdrachten te schrijven, kunnen artsen gewoonweg ‘protocol X’ noteren en naar huis gaan. Patiënten zijn individuen en hoewel statistieken cruciaal zijn voor een goede praktijk, kunnen ze niet worden gebruikt bij een individuele patient, die niet alleen overal op de Gauss-curve kan gesitueerd zijn maar die toevallig ook een aantal ziekten zou kunnen hebben die het protocol zouden moeten laten aanpassen.

Besluit

Ik heb de voor- en nadelen van EBM-protocollen besproken. Hoewel mijn visie is dat ze kunnen als richtlijnen kunnen dienen, is het gevaar dat ze dwangbuizen worden geenszins onbeduidend. Een dergelijke procedure dreigt het feit dat elke patient uniek is, verder van de arts te verwijderen en zou dit het kijken naar de ziekte kunnen onderhouden i.p.v. naar de patient die toevallig die ziekte heeft. Door van alle behandelingen een routine te maken, zou het wel eens de nieuwsgierigheid van de artsen kunnen doen dalen en hen naast belangrijke toevallige bevindingen laten kijken. Verder is het gevaar van het gebruik van EBM-protocollen die niet hoofdzakelijk de bedoeling hebben patiënten te helpen (en misschien het geheugen van de arts te trainen) maar te gebruiken als kosten-sparend instrument, betreurenswaardig. Er bestaat geen twijfel dat kosten zo laag mogelijk moeten worden gehouden en verspilling voorkomen. Maar beginnen praten over rantsoenering is het probleem niet – rationalisering is dat wel.

oktober 29, 2011

Een Epidemie van Valse Beweringen

Filed under: Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 5:48 pm
Tags: , , ,

John Ioannidis – arts, professor geneeskunde / gezondheid-research & -beleid en afdeling-hoofd van de het ‘Stanford Prevention Research Centre’ aan de ‘Stanford University School of Medicine’ – bespreekt belangrijke problemen bij biomedische research en manieren om de planning, uitvoeringen en rapportering sterker te maken.

Scientific American Magazine Juni 2011

Een Epidemie van Valse Beweringen

Competitie en belangen-conflicten vervormen te veel medische bevindingen

John P. A. Ioannidis

Vals positieven en overdreven resultaten bij ‘peer-reviewed’ wetenschappelijke studies hebben in de afgelopen jaren epidemische proporties aangenomen. Het probleem is alomtegenwoordig in de economische, sociale en zelfs in de natuur-wetenschappen, maar het is vooral kolossaal in de biomedische wetenschappen. Veel studies die claimen dat sommige medicijnen of behandelingen nuttig zijn, bleken niet waar te zijn. We hoeven maar te kijken naar de tegenstrijdige bevindingen over beta-caroteen, vitamine-E, hormoon-behandelingen, Vioxx en Avandia. Zelfs wanneer effekten autenthiek zijn, is de ware omvang ervan vaak kleiner dan aanvankelijk werd beweerd. Het probleem begint met de stijgende verwachtingen van de wetenschap bij het publiek. Doordat ze menselijk zijn, hebben wetenschappers de neiging om aan te tonen dat ze meer weten dan eigenlijk het geval is. Het aantal onderzoekers – en het aantal experimenten, observaties en analyses die ze produceren – is ook exponentieel toegenomen in vele gebieden, maar afdoende beveiligingen tegen vooroordelen ontbreken. Onderzoek is gefragmenteerd, de concurrentie is fel en de nadruk wordt vaak gelegd op afzonderlijke studies in plaats van het grote geheel. Veel onderzoek wordt uitgevoerd om andere redenen dan het streven naar waarheid. Belangen-conflicten zijn er in overvloed en ze beïnvloeden de resultaten. In de gezondheid-zorg wordt onderzoek vaak uitgevoerd in opdracht van bedrijven die een groot financieel belang bij de resultaten hebben. Zelfs voor academici staat of valt het succes vaak met het publiceren van positieve bevindingen. De oligopolie van ‘high-impact’ tijdschriften heeft ook een verstorend effekt op de financiering, academische carrière en de markt-aandelen. De industrie maakt de onderzoek-agenda op maat van hun behoeften, wat ook de academische prioriteiten, tijdschrift-omzet en zelfs de publieke financiering vorm geeft.

De crisis zou het vertrouwen in de wetenschappelijke methode niet mogen schaden. De mogelijkheid om iets als vals aan te duiden blijft een kenmerk van de wetenschap. Maar wetenschappers moeten de manier waarop ze hun onderzoek uitvoeren en hoe ze bewijs verspreiden verbeteren. Ten eerste moeten we routinematig robuuste en uitgebreide externe validatie eisen – onder de vorm van bijkomende studies – voor elk rapport dat beweert iets nieuws te hebben gevonden. Veel onderzoek-gebieden besteden weinig aandacht aan de noodzaak van replicatie of zijn er te spaarzaam mee en doen het op goed geluk. Ten tweede: wetenschappelijke rapporten moeten rekening houden met het aantal analyses die zijn uitgevoerd, wat neiging tot vals positieven zou bagatelliseren. Natuurlijk zou dat betekenen dat sommige geldige claims over het hoofd worden gezien. Hierbij zouden grote internationale samenwerking-verbanden onontbeerlijk zijn. Epidemiologie van het menselijk genoom heeft een goed ‘track-record’ omdat enkele grote consortia rigoureus genetische risico-factoren valideren. De beste manier om ervoor te zorgen dat de test-resultaten worden geverifieerd, zou zijn dat wetenschappers hun gedetailleerde experimentele protocollen registreren vooraleer hun onderzoek te starten en de volledige resultaten en gegevens openbaar maken wanneer het onderzoek klaar is. Op dit moment worden resultaten vaak selektief gerapporteerd waarbij de nadruk wordt gelegd op de meest opwindende, en buitenstaanders hebben vaak geen toegang tot wat ze nodig hebben om studies te repliceren. Tijdschriften en financiering-agentschappen moeten volledige openbaarheid van alle gegevens en analytische methoden voor elk gepubliceerd artikel sterk aanmoedigen. Het zou ook helpen als wetenschappers op voorhand de beperkingen van hun gegevens of de inherente gebreken van hun studie-ontwerpen zouden meegeven. Zo ook moeten wetenschappers en sponsors grondig alle potentiële belangenconflicten omschrijven. Sommige onderzoek-gebieden hebben één of meerdere van deze mechanismen overgenomen. Grote internationale consortia worden steeds gemeengoed in de epidemiologie; tijdschriften zoals ‘Annals of Internal Medicine’ en het ‘Journal of the American Medical Association’ instrueren auteurs om studie-beperkingen te adresseren en veel tijdschriften stellen vragen over belangen-conflicten. Het op grote schaal toepassen van de maatregelen zal echter niet gemakkelijk zijn.

Vele wetenschappers die zich bezighouden met onderzoek van hoge inzet zullen weigeren grote onthullingen te doen. Nog belangrijker: veel essentieel onderzoek werd al overgelaten aan de farmaceutische en biomedische industrie, die soms ontwerpen en studies rapporteren op een manier die het meest gunstig is voor hun produkten. Dit is een knelpunt. Hogere investeringen in ‘evidence-based’ klinisch en populatie-onderzoek, bijvoorbeeld, zou niet moeten worden ontworpen door de industrie maar door wetenschappers zonder belangen-conflicten.

Uiteindelijk zouden bevindingen die wegen op behandeling-beslissingen en het beleid moeten verschijnen met een uitleg over onzekerheden die ze omgeven. […]

oktober 25, 2009

Interpretatie wetenschappelijke studies

Filed under: Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 4:04 pm
Tags: , , , ,

http://www.cfids.org/about-cfids/medical-research-sense.asp

CFIDS Association of America

Making Sense of Medical Research

[…] Elke nieuwe ontdekking is onderworpen aan verscheidene interpretaties en zou moeten worden gezien in de context van de wetenschappelijke methode.

Hier volgt wat info overgenomen uit een ‘fact-sheet’ van de ‘National Institute on Aging’ getiteld ‘Understanding Risk: What Do Those Headlines Really Mean?’ [U.S. National Institues of Health; http://www.nia.nih.gov/HealthInformation/Publications/risk.htm%5D […] Het kan helpen CVS-studies beter te begrijpen. Het is degelijke informatie om in het achterhoofd te houden telkens een nieuwe studie over CVS verschijnt.

Elke dag zien we verhalen over nieuwe medische vondsten in de krant of op televisie. We horen bijvoorbeeld dat een bepaald medicijn een 300% of drie-voudinge stijging van het aantal beroertes veroorzaakt. Dat is een grote toename – het klinkt angstaanjangend. Maar, als je weet dat bij elke 10.000 mensen die het medicijn niet nemen, er twee beroertes voorkomen, dan betekent een drie-voudige stiging eigenlijk slechts zes extra beroertes. Misschien is dat niet zo heel schrikwekkend. Het is ook verwarrend dat verhalen soms tegenstrijdige resultaten lijken te melden – een nieuw vaccin voorkomt een verwoestende infektie, of doet dat niet. Wie zijn wij om wijs geraken uit dergelijke verhalen? Hoe weten we wat te geloven?

[…]

Als je leest over nieuwe medische bevinding, vraag dan jezelf af:

Was het een studie in het laboratorium, bij dieren of bij mensen? Onderzoeksresultaten bij mensen zijn wellicht meer betekenisvol voor je.

Omvat de studie genoeg mensen zoal jezelf? Je zou moeten controleren om te zien of de mensen in de studie dezelfde leeftijd, hetzelfde geslacht, onderwijsniveau; dezelfde ethnische achtergrond hadden en tot dezelfde inkomsten-groep behoorden als jezelf; en dezelfde gezondheidszorgen hadden.

Was het een gerandomiseerde, gecontroleerde klinische proef met duizenden mensen? Deze zijn de duurste om uit te voeren maar ze geven wetenschappers ook de betrouwbaarste resultaten.

Waar werd het onderzoek uitgevoerd? Wetenschappers aan een geneeskunde-departement of groot ziekenhuis bv. zijn wellicht beter uitgerust om ingewikkelde complex experimenten uit te voeren of hebben meer ervaring met het thema. Vele grote klinische testen omvatten meerdere instituten maar de resultaten kunnen worden gerapporteerd door één coördinerende groep.

Worden de resultaten op een makkelijk te begrijpen manier voorgesteld? Ze zouden het absoluut risico, relatief risico of een ander begrijpbaar getal moeten gebruiken.

Als een nieuwe behandeling werd getest: waren er nevenwerkingen? Soms zijn de bijwerkingen bijna zo ernstig als de ziekte. Of ze kunnen betekenen dat het medicijn een ander gezondheidsprobleem kan doen verergeren.

Wie betaalde voor de research? Zijn degenen die steun bieden er op uit financieel voordeel te halen uit positieve of negatieve resultaten? Soms draagt de regering of een grote stichting financieel bij in de research-kosten. Dit betekent dat ze de plannen van het project hebben bekeken en beslisten ze dat de financiering eerzaam was maar ze er toch geen geld uit winnen. Als een medicijn wordt getest, kan de studie gedeeltelijk of volledig zijn betaald door het bedrijf dat het medicijn zal produceren en verkopen.

Wie rapporteert de resultaten? Is de krant, het tijdschrift, radio- of televisie-station een betrouwbare bron voor medisch nieuws? Sommige grote publicaties en omroep-stations hebben speciale wetesnchap-reporters die gevormd zijn medische bevindingen te interpreteren. Je kan ook gaan praten met je arts om je te helen oordelen hoe correct de meldingen zijn.

Onthou dat vooruitgang op het gebied van medische research vele jaren duurt. De resultaten van één studie moeten worden gedupliceerd door andere wetenschappers op andere plaatsen vooraleer ze worden aanvaard als algemene medische praktijk. Elke stap op het onderzoekspad biedt een sleutel tot het uiteindelijk antwoord – en waarschijnlijk doet het ook een nieuwe vraag rijzen.

[…]

Wetenschap is een sociale onderneming en wetenschappelijk werk wordt meestal door de gemeenschap geaccepteerd als het werd bevestigd. Cruciaal is dat experimentele en theoretische resultaten door anderen binnen de wetenschappelijke gemeenschap moeten worden gereproduceerd. Researchers hebben hun leven gegeven voor deze mening; Georg Wilhelm Richmann werd bv. door een bliksem gedood (1753) terwijl hij het vlieger-experiment van Benjamin Franklin uit 1752 probeerde te herhalen.

Ter bescherming tegen slechte wetenschap en fraudulente gegevens, hebben federale research-financiering agentschappen en wetenschappelijke tijdschriften zoals ‘Nature’ en ‘Science’ de beleidslijn dat researchers hun data en methoden moeten archiveren opdat andere onderzoekers er toegang toe hebben, de data en methoden kunnen testen, en verder bouwen op de research die voorafging. Het archiveren van wetenschappelijke gegevens kan worden gedaan bij een aantal nationale archieven in de V.S. of bij het ‘World Data Centre’.

Reproduceerbaarheid is één van de hoofd-principes van de wetenschappelijke methodologie en refereert naar de mogelijkheid of een test/experiment accuraat kan worden gereproduceerd, of herhaald, door iemand anders die onafhankelijk werkt.

De resultaten van een experiment uitgevoerd door een bepaalde researcher of onderzoeksgroep worden over het algemeen geëvalueerd door andere onafhakelijke researchers die zelf hetzelfde experiment herhalen, gebaseerd op de originele experimentele beschrijving. Dan bekijken ze of hun experiment gelijkaardige – aan die gerapporteerd door de originele groep – resultaten oplevert. De resultaat-waarden worden ‘evenredig’ beschouwd als ze worden bekomen (in afzonderlijke experimentele testen) volgens dezelfde reproduceerbare experimentele beschrijving en procedure.

Reproduceerbaarheid is niet hetzelfde als herhaalbaarheid, wat de slaagkans meet in opéénvolgende experimenten, mogelijks uitgevoerd door dezelfde onderzoekers. Reproduceerbaarheid houdt verband met de overeenkomst van test-resultaten van verschillende operatoren, test-apparaten en laboratoria.

juli 14, 2009

Banden tussen artsen/onderzoekers en ‘Big Pharma’

Filed under: Gezondheidszorg — mewetenschap @ 2:33 pm
Tags: , , , ,

http://www.newscientist.com

25 February 2009

Onthulling van de links tussen artsen en ‘Big Pharma’

De Republikeinse senator Chuck Grassley (V.S.) heft het zijn missie gemaakt om de knusse relatie tussen artsen, researchers en de farmaceutische industrie es goed door elkaar te schudden. Hij stelt wetgeving voor om farmaceutische bedrijven te dwingen de vergoedingen bekend te maken die zij aan artsen betalen.

Chuck Grassley was een metaal-bewerker, arbeider aan de lopende en landbouwer vooraleer hij in het ‘Congress’ ging zetelen in 1974. Sindsdien is hij het zeer invloedrijke ‘Senate Finance Committee’ gaan leiden. Met Grassley’s ondersteuning, heeft dit committee het misbruik van de belasting-vrijstelling door non-profit organisaties en de banden tussen farmaceutische bedrijven en artsen onderzocht.

Heeft het echt belang dat sommige academici en artsen ‘vergeten’ hun inkomsten van farmaceutische bedrijven aan te geven?

Het publiek vertrouwt op het advies van artsen en heeft het recht de financiële relaties te kennen tussen die artsen en de bedrijven die de medicijnen maken die zij voorschrijven. Hetzelfde geldt voor onderzoekers, aangezien zij de klinische praktijk beïnvloeden. Als de betalingen transparant zijn, geloof ik dat mensen die nauwe connecties hebben met een bedrijf een beetje meer voorzichtig zullen zijn over de mate waarop ze een bepaald medicijn aanbevelen te nadele van een ander. De belasting-betaler zou ook op de hoogte moeten zijn aangezien zij miljarden spenderen aan medicijnen en toestellen.

U stelde vragen omtrent een psychiater die fondsen van het ‘National Institutes of Health (NIH)’ gebruikte om een medicijn te testen. U beweerde dat hij geen gewag had gemaakt van de aandelen – in het bedrijf dat eigenaar was van het medicijn – in zijn bezit; beweringen die hij ontkende en die waar zijn werkgever hem gelijk gaf. Kunt u daar meer over vertellen?

Ik mag geen commentaar geven op specifieke gevallen. Maar ik kan wel zeggen dat mijn ontdekking van niet bekendgemaakte financiële relaties tussen farmaceutische bedrijven en researchers druk op de NIH heeft gezet. Zij beheren elk jaar miljarden aan overheidsgeld. Ze moeten dan ook verzekeren dat degenen die de fondsen krijgen belangen-conflicten beheersen.

Wat zou u willen dat de NIH doet aan dergelijke conflicten?

Ze hebben veel macht maar gebruikt die niet. Ze hebben een verantwoordelijkheid om te verzekeren dat informatie over belangen-conflicten wordt vrijgegeven en behandeld. De NIH is verantwoordelijk er voor te zorgen dat universiteiten deze informatie verzamelen. Ze zeggen niet in staat te zijn elke universiteit op te volgen. Wel, ik zeg: schors fondsen [bedoeld wordt: van degenen die ’t niet nauw nemen met de ethiek] en je zal ieders aandacht krijgen.

Ik ontmoette de directeur van de NIH voor hij vorig jaar aftrad en hij leek bezorgd. Maar ik zou willen dat het agentschap elke mogelijkheid te baat neemt om openbaring te bewerkstelligen i.p.v. om ’t even welke reden uit te vinden om niks te doen.

U reveleerde ook dat de presentator van een medisch programma op de US ‘National Public Radio’ aanzienlijke sommen had gekregen van bedrijven wiens produkten aan bod kwamen.

We weten dat farmaceutische bedrijven grote hoeveelheden geld hebben gegooid naar medische researchers en er is geen duidelijke manier om te weten hoeveel en naar wie juist. Nu ziet het er naar uit dat hetzelfde gebeurd in de journalistiek, zonder verantwoordingsplicht. Het gebrek aan transparantie heft aanleiding tot cynisme en leidt tot gerechtvaardigde vragen over de effekten op onderzoek en de medische praktijk. Het publiek moet zich afvragen wie het kan vertrouwen voor een onafhankelijk standpunt.

Zijn er specifieke onderzoeken waar u kan over vertellen?

Een klokkenluider genaamd Andrew Mossholder, die een arts was bij de, US ‘Food and Drug Administration’ (FDA) kwam naar me toe omdat hij gemuilkorfd werd door de bureaucratie. Het was ongeveer vijf jaar geleden en hij moest een artikel voorstellen dat vragen opwierp over de zelfmoorden bij teenagers die antidepressiva namen, maar de FDA liet hem dit niet toe. Het agentschap hield er niet van omdat het die medicijnen eerder had goedgekeurd. Toch had hij gelijk: een beetje later startte de FDA met het uitvaardigen van een waarschuwing over het risico op zelfmoord op de etiketten van antidepressiva.

Is dat hoe de dingen werken in deze agentschappen?

Bij de FDA, moesten ze tot het punt komen waar het de gewoonte was om het wetenschappelijk proces niet te volgen. Er was ook een knusse relatie tussen de farmaceutische bedrijven en het agentschap. Het resultaat was de onderdrukking van dissidente standpunten betreffende de (on)veiligheid van een medicijn. Maar het is niet enkel de FDA. Recent had ik de directeur van het FBI in mijn kantoor. We spraken over wat er verkeerd is met de cultuur binnen het FBI, het feit dat er niet willen dat informatie publiek gemaakt wordt en dat klokkenluiders altijd worden gepest. Ik denk dat dit een cultuur is die zich verspreidt over bureaucratieën. Het is te lang ongecontroleerd gebleven en ik ben er zo’n beetje een controleur van.

Professionals in de gezondheidzorg zijn enkele van uw top-donoren. Heeft u zelf geen belangen-conflict?

Het voorbije jaar ontving ik donaties van veel van de organisaties die ik heb onderzocht. Ze contribueren omdat ze geloven in mijn regeringsfilosofie. Als iemand moet worden gecontroleerd, dan controleer ik ze.

Vertel ons over de wetgeving die u dit jaar introduceerde die vereist dat bedrijven openlijk rapporteren over betalingen aan arsten en wetenschappers.

Het werd de ‘Physician Sunshine Act’ genoemd. Farmaceutische bedrijven of fabrikanten van medisch materiaal die artsen aanwerven als consultenten zullen moet melden hoeveel ze hen betalen. Deze informatie zal op het internet komen op een gebruiker-vriendelijke manier zodat consumenten het kunnen zien.

Ik wil dat elke cliënt van elke arts weet of het voorschrijf-gedrag van die dokter bevooroordeeld is.

Maar is openbaarmaking genoeg? De betalingen zullen blijven en ze zouden de beslissingen betreffende behandeling die dokters nemen kunnen beïnvloeden.

We proberen een antwoord te geven op die vraag. Ik geloof dat transparantie veranderingen in het gedrag voortbrengt. Indien dat niet het geval blijkt, zullen we andere stappen overwegen.

[…]

Het mag geen twijfel leiden dat de beschreven praktijken ook in Europa aan de orde zijn! Artsen/onderzoekers hébben banden met farmaceutische bedrijven én met diagnostische laboratoria. Of het nu de sociale zekerheid (de belasting-betaler dus) of de individuele patient (in het geval van niet door de sociale zekerheid erkende medicijnen en/of lab-testen) is die betaalt: wij (patiënten en gezonden) betalen te veel!!! Waar zijn de artsen/onderzoekers die zich daar tegen uitspreken? Waar zijn de moedige klokkenluiders? Laat ons hen steunen en niet verguizen… We moeten er allemaal voor ijveren dat het algemeen belang, de (financiële en andere) gezondheid van de maatschappij consistent voorrang krijgt op de noden en verwachtingen van aandeelhouders van bedrijven. De invloed van de industrie op de klinische praktijk en research moet verminderen en wij (patiënten maar ook media, ambtenaren, politici) zijn daar ook voor verantwoordelijk…

september 16, 2008

Integratie van wetenschappelijke vernieuwing

Filed under: Gezondheidszorg,Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 3:21 pm
Tags: , , , ,

Public Health. 2008 Jun 3;122(7):671-680

Medische praktijk en maatschappelijke gezondheidszorg in de 21steeeuw: tijd voor verandering

Genuis SJ

University of Alberta, Edmonton, Alberta, Canada T6K 4C1

Het hedendaags model van ‘evidence-based’ geneeskunde heeft de alomtegenwoordige publieke gezondheidsdilemmas van escalerende chronische aandoeningen geen effektief antwoord geboden, en wordt uitgedaagd door een substantiële ontevredenheid bij patiënten en zorgverleners. Verscheidene recente meldingen zetten het storend probleem van een verslechterd moreel binnen de medische gemeenschap in de verf, terwijl ongekende aantallen mistevreden patiënten zich wenden tot onconventionele therapieën in hun zoektocht naar hulp. Naast dokterstekorten, overwerk, stijgende regulering en een horde andere uitdagingen bijdragen tot de immer-stijgende stress, vinden veel medische professionals geneeskunde niet langer een voordelige roeping en voelen ze zich ineffektief in hun werk. Recent onderzoek benadrukt echter vernieuwende, klinische strategieën die gebruik maken van principes uit groeiende domeinen zoals molekulaire geneeskunde en epigenetica, die veelbelovende uitkomsten bieden voor veel chronische zieke patiënten. In dit artikel wordt een onderzoeks- en etiologisch gebaseerde benadering van de klinische praktijk voorgesteld, een strategie die resulteerde in het herstel van de fysieke en mentale gezondheid van veel patiënten. Toepassingen voor maatschappelijke gezondheid met inbegrip van ziekte-preventie en bevordering van de gezondheid worden ook besproken.

Integratie van wetenschappelijke vernieuwing

Een studie van de de medische geschiedenis bevestigt dat vertaling van wetenschappelijke kennis, d.i. het proces waarbij nieuwe research en wetenschappelijke verniewing wordt uitgedragen, verwerkt, geïncorporeerd en klinisch geïmplementeerd, is een overbekend lethargisch en langgerekt trajekt dat onveranderlijk meerdere belemmeringen en onverzettelijke tegenkanting omvat.* Semmelweis’ levensreddende oplossing voor de pandemische kraamkoorts werd tientallen jaren belachelijk gemaakt, Linde’s simpel antwoord op scheurbuik-gerelateerde mortaliteit werd gedurende 40 jaar genegeerd, en Warren en Marshall’s recente Nobel Prijs voor hun onderzoek dat een etiologische link aantoonde tussen infektie en maagzweren werd pas toegekend na vele jaren van spot en ongeloof.

Max Planck, gerenommeerd natuurkundige en Nobel Prijs winnaar, liet optekenen dat “een nieuwe wetenschappelijke waarheid niet triomfeert door zijn tegenstanders te overtuigen en hen ‘het licht’ te doen zien maar eerder omdat zijn opponenten uiteindelijk sterven en een nieuwe generatie opgroeit die er vertrouwd mee is”. Gevestigde belangen, afkeer voor verandering, apathie, overheersende geestestoestanden, bureaucratische lethargie en intellectuele onwetendheid zweren samen om het proces van de vertaling van wetenschappelijke kennis te belemmeren. De geschiedenis toont aan dat innovatieve medische benaderingen typisch worden aangevochten door dissidente experten die, dikwijls met een gebrek aan geloofwaardige wetenschappelijke argumentatie, hun academische posities en geloofsbrieven gebruiken om verwarring te zaaien via hooghartige kritieken op nieuw bewijsmateriaal en persoonlijke aanvallen tegen boodschappers van verandering. Verdere verspreiding van ontluikende wetenschap, in het bijzonder naar een jongere generatie die onaangetast is en onbelast door verouderde kennis en sub-optimale praktijken, zal niettemin uiteindelijk de progressieve evolutie van de klinische geneeskunde toelaten.

*. Rogers EM. Diffusion of innovations. New York: The Free Press; 1995.

WIE HET SCHOENTJE PAST, TREKKE HET AAN…

In het M.E.(cvs)-wereldje zijn er jamer genoeg nog steeds te veel dergelijke artsen, onderzoekers,…

Volgende pagina »

Blog op WordPress.com.