M.E.(cvs)-wetenschap

november 22, 2008

Bewijs voor inflammatoire immuun-signalisering bij CVS

Filed under: Genetica,Immunologie — mewetenschap @ 2:37 pm
Tags: , , , ,

Een vrij complex stuk waarbij het voor leken niet altijd essentieel is 100% van de technische kant te snappen. Het zou een academische cursus immunologie en molekulaire genetica vergen alles te verduidelijken. De belangrijke zaken worden benadrukt en de conclusies zijn wel heel belangwekkend. Dit is dan ook vooral bestemd voor researchers, klinici én patiënten die geïnteresseerd zijn in de wetenschap van M.E.(cvs)…

Een micro-array is een klein (micro) rechthoeking plaatje met daarop kleine druppeltjes / stipjes met DNA in een matrixpatroon (array). Ieder stipje op de micro-array bevat een stukje van het DNA van één specifiek gen van bijvoorbeeld de mens waarop genetisch materiaal (bv. afkomstig uit biologisch materiaal) kan ‘hybridiseren’ en zo worden gedetekteerd. Een micro-array wordt ook wel eens ‘DNA-chip’ genoemd.

Voor bijkomende inlichtingen en/of uitleg; neem gerust contact.

Behav Brain Funct. 2008 Sep 26;4:44

Evidence of inflammatory immune signaling in Chronic Fatigue Syndrome: A pilot study of gene expression in peripheral blood

Anne L Aspler1, Carly Bolshin1, Suzanne D Vernon2 and Gordon Broderick1

1 Department of Medicine, Faculty of Medicine and Dentistry, University of Alberta, Edmonton, Alberta, T6G 2H7, Canada

2 The CFIDS Association of America, Charlotte, North Carolina, 28222, USA

Achtergrond

[…] chronische immuun-cel dysfunktie en aktivatie werd reeds aangetoond bij CVS door verscheidene groepen. Hoewel ze gelijkaardig zijn qua brede lymfocyt-klassen, kunnen CVS-patiënten en niet-vermoeide indviduen vlot van elkaar onderscheiden worden als specifieke immuun-cel ondergroepen worden onderzocht. Klimas et al. bv. meldden een significante uitbreiding van CD26+ (DPP-IV) geaktiveerde T-cellen bij CVS-individuen [Immunologic abnormalities in Chronic Fatigue Syndrome. J Clin Microbiol 1990;28:1403-1410]. Deze multifunktionele molekule speelt een belangrijke rol bij de regulering, ontwikkeling, rijping en migratie van T-helper (Th) en ‘natural killer’ (NK) cellen, zowel als bij immunoglobuline-isotype wisseling van B-cellen. Daarenboven wordt abnormale expressie van CD26+ gevonden bij auto-immuun ziekten. Meer recent werd ook gerapporteerd dat CVS-patiënten significant minder CD3+/CD25- T-cellen en significant meer CD20+/CD5+ B-cellen, een subset geassocieerd met auto-antilichamen, hebben. Significant minder CD56+ NK-cellen werden ook gezien bij recent werk door Racciatti et al. [Study of immune-alteration in patients with Chronic Fatigue Syndrome with different etiologies. J Immunopath Pharm. 2004;17:57-62]. Hoewel belangrijk, laten flow-cytometrie resultaten zoals deze veel vragen betreffende de cellulaire status onbeantwoord. Micro-array profilering van gen-expressie licht anderzijds een tipje van de sluier op wat betreft aktivatie van systemen bij ziekte-pathogenese op molekulair niveau. Micro-array analysen van cDNA profielen van perifeer bloed mononucleaire cellen (PBMC) hebben veranderde expressie bij CVS van verscheidene immuun-genen [zie Pharmacogenomics. 2006;7] betrokken bij de respons op oxidatieve stress, NK-cel aktiviteit en elementen van antigen-verwerking, getoond. Instabiliteit qua immuun-respons en restrukturering van immuun-cel signalisering bij inspanning werd ook geobserveerd [Exercise-responsive genes measured in peripheral blood of women with Chronic Fatigue Syndrome and matched control-subjects. BMC Physiol. 5:5]. Jammer genoeg wordt micro-array profilering normaal uitgevoerd op populaties van gemengde cellen, wat een gemiddeld profiel oplevert waarbij het zeer moelijk is de bijdragen van de relatieve cel-aandelen, de cel-aktivatie-status en de cel-cel-signalisering te ontleden. Nog belangrijker: dit maken van gemiddelden kan significante veranderingen in de status van cel-subpopulatie-minderheden vertroebelen.

Niettegenstaande deze uitdagingen suggereert een overzicht van dit bewijsmateriaal dat de pathogenese van CVS wellicht een karakteristieke immunologische component omvat in ten minste één subset van de patiënten-populatie. De exacte aard van deze immunologische component blijft echter het voorwerp van aanzienlijk debat, ten minste gedeeltelijk omwille van de onmogelijkheid om gen-expressie profielen in de nuttige context van immuun-cel populaties te zien. In een poging om deze kwestie aan te pakken, werden methoden voorgesteld om globale gen-expressie profielen te verdelen in afzonderlijke elementen die toe te wijzen zijn aan biologische processen. De toewijzing van genen aan afzonderlijke modules of sets is in meerdere opzichten succesvol geweest. Een eerste bijdrage houdt het eenvoudig reduceren in van de aantallen van meer dan 55.000 gen-expressie metingen tot ongeveer 10 genen-sets. De interpreteerbaarheid van resultaten wordt verder verhoogd door het associëren van sets met fundamentele cellulaire funkties. Uiteindelijk wordt de numerieke sterkte verbeterd door het gemiddelde te maken van de veranderingen in expressie van vele genen. Daarenboven zijn genen-sets transporteerbaar over micro-array platforms wat het mogelijk maakt om studies te vergelijken op basis van verschillende technologieën.

In dit werk exploreren we het gebruik van afzonderlijke genen-sets bij het verzamelen van nuttige informatie betreffende immuun-dysfunktie bij CVS uit gen-expressie profielen van populaties gemengde lymfocyten. We construeren in het bijzonder genen-sets die elementen bevatten van aantallen en aktiviteit die toewijsbaar zijn aan specifieke immuun-cel subsets waardoor directe integratie met flow-cytometrie resultaten wordt vergemakkelijkt. Gegevens van een grote bevolkingsstudie aangaande CVS wordt dan onderzocht op veranderingen van immuun-set expressie over twee afzonderlijke CVS klassificatie-benaderingen. Daarenboven werden patronen van gecoördineerde expressie die deze immuun-sets verbinden onderzocht, gebruikmakend van eenvoudige correlatie-netwerken. Deze netwerken werden onderzocht op verschuivingen qua topologie [plaats van een gen in een netwerk] en aanwijzingen van patronen in immuun-signalisering bij CVS die consistent zijn met chronische inflammatie. Deze observaties zouden een signatuur voor CVS of een component daarvan kunnen vormen.

Methoden

Individuen en diagnostische klassen

Recent kwam een data-set beschikbaar van een 2-daagse ziekenhuis-studie naar CVS in de algemene bevolking van Wichita (Kansas, V.S.) [Pharmacogenomics. 2006;7:345-354]. Deze wordt de Wichita Clinical Study genoemd en omvatte een zeer uitgebreid spectrum van gedetailleerde klinische en laboratorium-metingen, en PBMC expressie-profielen van 20.000 genen. Uit deze data-set werd uiteindelijk een analyse-groep van 111 vrouwelijke individuen bekomen door de weinige mannelijke individuen en zij met medische of psychiatrische aandoeningen uit te sluiten. Individuen in deze data-set werden geklassifieerd als CVS gebruikmakend van de ‘CDC Symptom Inventory’, ‘Multidimensional Fatigue Inventory’ (MFI) en ‘Short Form 36’ (SF-36). Deze klassificatie zal ‘empirisch’ worden genoemd en resulteerde in 39 CVS, 37 niet-vermoeide (NF) en 35 individuen met onvoldoende symptomen of vermoeidheid (ISF). Een tweede klassificatie voorgesteld door Vollmer-Conna en collegas [Pharmacogenomics. 2006;7:355-364] gebruikte ‘latent class analysis’ (LCA) [statistische methode waarbij op een systematische manier mensen of andere onderzoekobjecten worden ingedeeld in homogene groepen] van 440 klinische en biologische metingen om 5 vermoeidheidsklassen, een niet-vermoeide klasse en 2 niet-toegewezen individuen af te bakenen. Obese individuen met uitgesproken vermoeidheid na inspanning, hypnoea en verstoorde slaap vormden Klasse 1. Redelijk gezonde individuen met weinig symptomen, lage depressie-scores en goede slaap vormden Klasse 2. Individuen in Klasse 3 leken op die in Klasse 1 maar vertoonden ook een lage hartslag-variabiliteit tijdens slaap en lage 24-uur cortisol-waarden. Klass 4 was bevolkt met gezondere, minder depressieve individuen met een rustgevende slaap maar met spierpijn. Tenslotte omvatten Klassen 5 en 6 allebei minder obese maar sterk symptomatische en depressieve individuen met uitgesproken vermoeidheid na inspanning. Individuen in Klasse 6 hadden ook een gestoorde slaap, lage hartslag-variabiliteit en laag cortisol. […]

Het verzamelen en verwerken van PBMCs inclusief hybridisatie op MWG micro-arrays (MWG Biotech, Ebersberg, Duitsland) werd beschreven door Vernon en Reeves [BMC Medicine. 2005;3:8].

Genen-set ontwikkeling

Het zoeken naar elementen die de hoeveelheid en aktiviteit van een specifieke leukocyten-subset vertegenwoordigden, werd benaderd door de identifikatie van afzonderlijke sets van genen die uniek of hoofdzakelijk tot expressie komen in een bepaald cel-type. Momenteel bieden afzonderlijke genen-sets de eenvoudigste en meest onmiddellijk toegankelijke methode voor de analyse via micro-array platformen. We maakten een aantal genen-sets a priori voor CD4+ T-cellen, CD8+ T-cellen, CD19+ B-cellen, CD14+ monocyten en CD16+ neutrofielen door gebruik te maken van gegevens verzameld op Affymetrix micro-arrays (Affymetrix, Santa Clara, V.S.). Van de 12.022 gecontroleerde genen kwamen 2.641 verschillend tot expressie tussen individuele lymfocyten-subsets. Van deze oorspronkelijke 2.641 onderscheidende genen waren 268 aanwezig op de MWG micro-arrays die werden gebruikt in de ‘Wichita Clinical Study’. We ontleedden deze subbset-specifieke profielen in afzonderlijke niet-overlappende sets, samengesteld uit genen die ten minste 2-maal ge-upreguleerd of 2-maal ge-downreguleerd zijn in elke cel-lijn. Een bijkomende genen-set werd gedefinieerd voor NK-cel aktiviteit en Treg-cel aktiviteit werd bepaald uit de expressie van het FoxP3 gen.

Statistische analyse

[…]

Resultaten

Afstemmen van empirische en LCA-klassificaties

[…] Er was goede opvereenkomst van niet-vermoeide individuen met 90% van de empirische NF-controles uit LCA-klassen 0 (Gezond) and 2 (Niet-toegewezen). LCA-klasse 1 (40%) en 5 (26%) samen bevatten twee derden van de individuen toegewezen aan de empirische CVS-klasse. ISF-individuen waren bijna gelijkmatig verdeeld over LCA-klassen 1 (23%), 3 (31%) en 4 (26%). De meeste individuen van LCA-klassen 3 en 4 werden geïdentifieerd als ISF, en de meeste individuen in LCA-klassen 1, 5 en 6 kregen een empirische CVS-klassificatie.

Differentiële expressie van a priori gedefinieerde immuun-cel genen-sets

In een eerste analyse werd de differentiële expressie van immune genen-sets over ziekte-fenotypes en controle-groepen voor beide klassificatie-systemen geëvalueerd. Resultaten tonen dat de mediane expressie van de CD19+ B-cel ge-upreguleerde genen-set [6 genen] significant lager was bij CVS (p = 0.01) en ISF (p = 0.05) individuen vergeleken met NF-groep [vooral te wijten aan de PTPRK en TSPAN3 expressie]. Expressie van deze genen-set was ook significant onderdrukt in LCA-klasse 3 (p = 0.04) en marginaal onderdrukt in LCA-klasse 5 (p = 0.09) vergeleken met controle-individuen in LCA-klassen 0 en 2. Onthou dat 11 van de 17 gevallen in LCA-klasse 3 ook werden aangewezen als ISF. Ook: 10 van de 14 LCA-klasse 5 gevallen werden aangewezen als CVS. NK genen-set expressie was marginaal gestegen in de CVS-groep (p = 0.07). Hoewel geen enkele andere genen-set verschillend tot expressie bij p < 0.05, verschilden co-expressie patronen in elke groep duidelijk.

Hoewel niet significant was de nul-probabiliteit [De hypothese die men formuleert en toetst in een statistische test wordt de nul-hypothese genoemd. Deze moet bij het begin van het onderzoek worden geformuleerd. De nul-hypothese heeft de vorm van een exacte, kwantitatieve uitspraak over een parameter van de populatie, waaruit de steekproef is getrokken. De kans op een bepaalde gebeurtenis (eng. probability of event, notatie P) wordt uitgedrukt in een getal tussen 0 en 1.] voor NK-cel expressie het laagst bij de LCA-klassen voor LCA-3 (p = 0.11). Ten slotte was de expressie van de T-regulator set (FoxP3) marginaal onderdrukt in LCA-klasse 1 (p = 0.09), die 40% van de CVS-individuen bevatte, hoewel geen significant verschil werd gevonden voor de grotere CVS-groep (p = 0.31).

De prestaties van deze genen-sets werd vergeleken met die die werden verkregen door gebruik van willekeurige sets van dezelfde grootte zowel als door willekeurige klassificatie-toewijzing van elk individu. Nul-distributie resultaten wezen er op dat de CD19+ B-cel (ge-upreguleerd) én NK-cel genen-sets significant beter presteerden dan willekeurige sets van gelijkaardige grootte bij het onderscheiden van CVS en NF (p < 0.05). Performantie van de T-regulator genen-set (FoxP3) was op z’n best beperkt (p~0.15) qua differentiële expressie. Daarenboven wees een gedetailleerde analyse van individuele genen in de CD19+ ge-upreguleerde set er op dat geen enkel gen differentieel tot expressie kwam zelfs als de set op p = 0.01 niveau tot expressie kwam. Dit herbevestigt dat hoge niveaus van ‘metingsruis’ effektief kunnen worden aangepakt door genen bijeen te voegen tot biologisch relevante sets.

Karakteristieke associatie-patronen tussen immuun-genen-sets bij CVS

[…]

De LCA controle-klassen 0 en 2 vertoonden een genen-set co-expressie patroon bij p < 0.10 dat identiek was aan dat van de empirische NF-groep, alhoewel in deze laatste dit patroon ook behouden bleef bij p < 0.05. In de NF én LCA-0/LCA-2 netwerken correleerden de CD 19+ B-cel ge-upreguleerde en ge-downreguleerde genen-sets heel erg. T-regulator en NK-cel genen-sets ondersteunden allebei significante positieve interaktie met één of beide van de CD19+ B -cel sets. Daarenboven waren de CD8+ T-cel aktiviteit en CD14+ monocyten aktiviteit significant tegestrijdig. In tegenstelling vertoonde het netwerk bekomen voor de CVS-individuen een verschuiving qua interakties. Significante interakties leken inderdaad de expressie van de CD14+ monocyten genen-set te linken met die van de B-cel (CD19+ ge-upreguleerd) en de CD16+ neutrofielen genen-sets. [Significante co-expressie van CD14+ monocyten met CD16+ neutrofielen (p = 0.01) en CD19+ B-cel sets (p = 0.00) karakteriseert CVS en groepen met een vermoeidheidsfenotype.] De neutrofielen-set had ook significante co-expressie gemeen met de CD8+ T-cel genen-set (p < 0.05) bij CVS. Interessant is ook dat interakties met de neutrofielen genen-set volledig afwezig waren bij NF zelfs op p < 0.10 niveau. Ook duidelijk bij CVS was de verschijning van een significant negatieve correlatie tussen de expressie van CD8+ en CD19+ ge-upreguleerde genen-sets (p = 0.02). [én NK genen-sets (p = 0.08). Deze patronen waren afwezig bij controles.] Bovendien leken CD19+ B-cellen veranderd: ge-upreguleerde en ge-downreguleerde sets vertoonden niet langer een sterke directe correlatie bij ISF of CVS. Interaktie met NK-cel genen-set expressie was ook een onderscheidend kenmerk in het bijzonder voor ISF. In plaats van als een overgangstoestand tussen NF en CVS te verschijnen, vertoonde ISF een opvallend co-expressie patroon gekarakteriseerd door een significante interaktie van NK-cel en monocyten genen-sets (p < 0.05). In tegengestelling tot NF correleerde de NK en CD19+ ge-downreguleerde genen-sets negatief (p < 0.10) bij ISF.

Op bijna dezelfde manier als de ISF-groep werden meerdere van de LCA-groepen gekarakteriseerd door een gebrek aan gecoördineerde aktiviteit tussen immuun-genen-sets. Er bestonden inderdaad geen significante correlaties voor LCA-4, zelfs niet op het p < 0.10 niveau. Ditwasook het geval voor LCA-3 en LCA-6 klassen op het p < 0.05 niveau. […] LCA-1 vertoonde een significant positieve correlatie (p < 0.05) tussen de CD14+ monocyten en CD16+ neutrofielen sets; een kenmerk van CVS. Op het p < 0.10 niveau was er een negatieve correlatie tussen de NK en CD19+ B-cel ge-downreguleerde set; een ISF-eigenschap. Uniek voor LCA-1 was een positieve correlatie tussen T-reg (FoxP3) en CD14+ monocyten gene-set expressie (p < 0.10), een karakteristiek die niet werd gezien bij CVS en zelfs omgekeerd in LCA-3. LCA-5 had 2 kenmerken die specifiek zijn voor de CVS-groep, namelijk een sterk positieve correlatie tussen de CD19+ B-cel en CD14+ monocyten ge-upreguleerde sets (p < 0.05) samen met een sterk negatieve correlatie tussen de eerste en CD8+ genen-set expressie. Deze 2 kenmerken werden niet gedeeld met de LCA-1 groep. Deze resultaten herbevestigden de sterke links tussen de CVS-groep en LCA-klassen 1 en 5, naast de suggestie dat immuun-set co-expressie inzicht zou kunnen bieden in de opvallende aard van deze duidelijke subklassen van CVS.

Bespreking

In dit werk ontleedden we PBMC gen-expressie profielen in componenten die preferentieel tot expressie kwamen in verscheidene geïsoleerde lymfocyt-subpopulaties. We gebruikten ook 2 systemen om de individuen onder te verdelen in ziekte-groepen. De LCA-klas struktuur werd direct afgeleid uit een uitgebreide set klinische en biologische indicatoren. Alle indicatoren werden gelijkwaardig geacht en tegengesteld aan de gebruikelijke praktijk werd geen enkele subset a priori belangrijker beschouwd. In tegenstelling tot de empirische klassificatie die gebaseerd was op een consensus van meningen van expert-klinici. De resultaten bevestigen sterke links tussen beide systemen maar de LCA-klassificatie leverde bijkomende inzichten in de potentiële subklassen van CVS. De overeenkomsten tussen deze klassificatie-systemen zijn gemakkelijk waar te nemen in de patronen van co-expressie in de genen-set. De empirische CVS-groep lijkt inderdaad een samenvoeging van de genen-set co-expressie patronen geobserveerd in LCA-klassen 1 en 5. De differentiële expressie van genen-sets bereikt echter enkel statistische significantie in het geval van de ruwere empirische klassen, waarbij de grotere groepen betere achtergrond-onderdrukking bieden. In het bijzonder in de empirische CVS-klasse vonden we een significante daling in de expressie van een set van 6 genen die bij voorkeur ge-upreguleerd waren in geïsoleerde CD19+ B-cellen vergeleken met niet-vermoeide controles. Expressie van deze CD19+ B-cel ge-upreguleerde genen-set discrimineerde ook ISF van controles bij een 0.05 betrouwbaarheidsniveau. In een recente studie van CVS-voorkomen in aan- én af-wezigheid van virale infektie, vonden Racciati et al. geen significante verschillen in CD19+ cel overvloed. […] Deze bevindingen, tesamen met onze observaties van onderdrukte CD19+ gen-expressie en veranderde associatie tussen ge-up- en downreguleerde B-cel funkties suggereren dat de funktie van deze cellen gecompromiteerd kan zijn bij CVS-individuen. […] Genen coderend voor leden van de ‘zinc-finger’ proteïnen-familie [grote super-familie van proteïne-domeinen die op DNA kunnen binden] werden ook geïdentifieerd als prominente bijdrage-leveranciers aan het CVS-symptomen spectrum in eerder werk [Identifying illness parameters in fatiguing syndromes using classical projection methods. Pharmacogenomics. 2006;7:407-19]. Als we de 6 genen die de CD19+ ge-upreguleerde set vormen van naderbij bekijken, zien we dat de PTPRK en TSPAN3 genen, beide geassocieerd met immuun-cel adhesie en ontwikkeling, het sterkst onderdrukt waren. Downregulering van PTPRK, een TGF-β doelwit gen, staat bekend ge-downreguleerd te worden door het Epstein-Barr virus (EBV), een infektueus agens dat CVS kan triggeren. Downregulering van TGF-β werd gerapporteerd bij CVS door Tomoda et al.

NK-cel aktiviteit is onderdrukt in CVS en deze verminderde cytotoxiteit werd geassocieerd met verlaagd intracellulair perforine. In dit werk observeren we een verhoogde expressie van de NK-cel genen-set. Van de 4 genen gebruikt om de NK-cel funktie weer te geven, was de expressie van NKG2A/C (NM 002260) het meest verhoogd. Van de binding van NKG2A op zijn natuurlijk ligand, humaan niet-klassiek klasse I leukocyt antigen (HLA) E, is geweten dat het zijn ‘immunoreceptor tyrosine-based inhibition-motif’ (ITIM) induceert en cytotoxische cel effector-aktiviteit onderdrukt. Daarenboven staat NKG2A ook bekend voor zijn co-expressie op geaktiveerde Th2- maar niet Th1-lymfocyten. Een bevoordeling naar Th2-type immuun-respons bij CVS-patiënten werd ook gesuggereerd op basis van intracellulaire T-cel cytokine-profielen door Skowera et al. [High levels of type 2 cytokine-producing cells in Chronic Fatigue Syndrome. Clin Exp Immunol. 2004;135:294-302] Interessant is dat dit ook overeenkomt met veranderde expressie van het PTPRK gen, dat eerder werd vermeld, aangezien Asano et al. gestoorde Th1-funktie rapporteren bij PTPRK deletie in ratten. Onze observaties ondersteunen daarom bevindingen van verhoogde onderdrukking van cytotoxische aktiviteit bij CVS en wijzen op verhoogde Th2-aktiviteit hoewel dit laatste niet specifiek werd onderzocht in deze analyse.

Neutrofielen van hun kant worden enkel sporadisch gevonden en contaminerende hoeveelheden zitten in de meeste PBMC-preparaten, dus is het interessant te noteren dat de neutrofielen genen-set verscheen als een kern-element in het tevoorschijnkomen van gecoördineerde immuun-aktiviteit. In het bijzonder de CD16+ neutrofielen genen-set en de CD14+ monocyten genen-set delen significante co-expressie. Ze ontstaan niet enkel uit dezelfde haematopoietische CD34+ voorloper-cel maar aangezien de immuniteitsgemeenschap heel erg geïntegreerd is, zal de aan- of afwezigheid van neutrofielen ook worden weerspiegeld in de status van de resterende cel-populatie. De CD14+ monocyten-set had ook significante co-expressie gemeen met de CD19+ B-cel genen-sets. Deze neutrofielen-monocyten,-B-cel immuun-interaktie triade is zeer consistent met een model voor chronische inflammatie zoals voorgesteld door Lefkowitz en Lefkowitz. Volgens dit model zijn neutrofielen, eens dat een gebeurtenis inflammatie inititieert, van de eerste cellen die ter plaatse komen. Ze degranuleren, waarbij MPO [aktief myeloperoxidase] in de micro-omgeving wordt afgegeven, dit bindt samen met iMPO [inaktief myeloperoxidase] op de macrofaag MMR [macrofaag mannose receptor] en induceert de afgifte van TNF-α [theorie voor de instandhouding van inflammatie]. Deze laatste werkt op een autocriene manier en naast iMPO initieert deze een cytokine-cascade (IL-1, IL-6, IL-8, GM-CSF). IL-8 trekt meer neutrofielen aan en samen met GM-CSF laten ze die weer degranuleren. Met de overeenkomstige afgifte van bijkomend MPO, start de cyclus opnieuw. The door TNF-α geïnitieerde cascade induceert IL-6 die door B-cellen wordt gebruikt voor maximale antilichaam-secretie, gewoonlijk IgM. Bijkomend aan de huidige analyse, wees een preliminair onderzoek van de cytokine-gegevens verzameld in de Wichita studie op een toename in TNF-α bij CVS-individuen, zoals eerder werd gedocumenteerd door Moss et al. [TNF-alpha and Chronic Fatigue Syndrome. J Clin Immunol. 1999;19:314-316]

Naast dit kern-netwerk, observeerden we ook dat expressie van de CD8+ T-cel set negatief correleerde met die van de NK en CD19+ ge-upreguleerde B-cel sets. Bij een mogelijk mechanisme die deze drie celtypes linkt, zouden IgG-antilichamen die aan GD3 [ganglioside D3, een membraan-component van menselijke T-cellen die betrokken is bij de groei van T-cellen] binden op het oppervlak van CD4+ en CD8+ T-cellen signalen voor de proliferatie van deze subsets en expressie van de IL-2 receptor CD25 kunnen veroorzaken. Van NK-cellen werd door Claus et al. aangetoond dat ze selektief deze antilichaam-gemedieerde proliferatie van CD8+ T-cellen inhiberen, misschien via downregulering van de autologe ‘mixed lymphocyte reaction’ (MLR). Deze basis-analyse van immuun-genen-set co-expressie wijst daarom op het bestaan van immuun-signaliseringsprocessen bij CVS die aanleunen bij ten minste één gekend mechanisme van chronische inflammatie en ondersteunt mogelijke antilichaam-gemedieerde NK-cel modulatie van T-cel aktiviteit. Verder suggereerden associatie-netwerken geconstrueerd voor LCA-classen 1 en 5 dat B-cel betrokkenheid in deze processn kan dienen als factor om onderscheid te maken tussen afzonderlijke subgroepen CVS-individuen.

Hoewel meerdere zeer plausibele immuun-respons mechanismen werden bekomen door deze analyse, moet worden beklemtoond dat het gebruik van afzonderlijke genen-sets meerdere beperkingen heeft. In het bijzonder wordt het steeds moeilijker om genen te identificeren die exclusief of zelfs predominant tot expressie komen in specifieke cel-lijnen wanneer ze veel gemeenschappelijk hebben qua funktie en doel. Deze kwestie kwam tot uiting door de kleine genen-sets die in dit werk werden geïdentifieerd uit lymfocyten-subset expressie-profielen. Een benadering die belooft robuster en openbarender te zijn, impliceert nog steeds het directe gebruik van de genoom-wijde expressie voor deze cel-populaties. Dit blijft een aktief research-domein. Zelfs deze eenvoudige analyse wijst echter dramatische verschillen aan qua immuun-netwerk topologie en cel-signaliserng bij CVS en we verwachten dat deze verschillen groetendeels behouden zullen blijven na uitgebreidere analyses. De methodologie die in dit werk werd beschreven en de kwesties die werden besproken, tonen bovendien het belang aan van ontwikkelende benaderingen die flow-cytometrie met cytokine- en gen-expressie-profilering integreren. Het onderlijnt in het bijzonder het belang van verder te kijken dan differentiële expressie van individuele componenten, naar veranderingen in hun patronen van gecoördineerde aktiviteit en formeel de netwerk-eigenschappen van het immuunsysteem te erkennen.

Geef een reactie »

Nog geen reacties

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

%d bloggers op de volgende wijze: