M.E.(cvs)-wetenschap

maart 14, 2012

Psychologen vervalsen research-gegevens

Gearchiveerd onder: Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 7:23 pm
Tags: ,

In de Nederlandse Volkskrant van 22 februari 2012 verscheen een stuk getiteld ‘Eén op de tien psychologen vervalst onderzoeksdata’. Meer dan de helft zou ook statistisch gesjoemel erkennen om resultaten significanter of indrukwekkender te maken… Men verwijst naar een studie Psychological Science. Een nieuwe interview-techniek (anoniem en met een ingebouwde aanmoediging), die eerlijkheid beloont, is de verklaring voor beduidend hoger schattingen dan eerder onderzoek.

Hetzelfde tijdschrift, het belangrijkste vakblad voor psychologen, publiceerde eerder al over hoe eenvoudig het is om vrijwel elk gewenst resultaat in een psychologisch experiment significant te krijgen…

Het team van Leslie John ondervroeg academische psychologen in de V.S. o.a. over: het niet rapporteren van alle metingen; meer data verzamelen na te hebben gecheckt of de resultaten significant zijn; selektieve rapportering van studies met een positief resultaat en het vervalsen van gegevens.

Samengevat bleek dat één op tien psychologen research data had vervalst. De meerderheid rapporteerde selektief (67%) en niet alle metingen (74%), bleef data verzamelen tot het resultaat significant was (71%), rapporteerde onverwachte bevindingen als verwacht (54%) en verzweeg data post-hoc (58%). 35% van de respondenten zei dat ze twijfels hadden over de integriteit van hun eigen research!

Het is evident dat dergelijke praktijken (o.a. ronduit vervalsen van onderzoek) de waarde van zo’n research bedreigt, onrealistisch elegante resultaten oplevert en leidt tot waardeloze conclusies…

Wat info over de methode, BTS, ontworpen door Drazen Prelec… Dit is een score-methode die aanmoedigingen biedt opdat respondenten de waarheid zouden antwoorden op ‘multiple-choice’ vragen betreffende privé aangelegenheden (opinies, smaken, eerder gedrag). De methode vereist dat respondenten niet enkel persoonlijke antwoorden leveren maar ook percentage-schattingen over hoe andere respondenten op dezelfde vraag zullen antwoorden. De score-formule kent dan hoge scores toe aan antwoorden waarvan de eigenlijke frequentie groter is dan de voorspelde frequentie. Hij testte of respondenten een hogere score bereiken als ze hun eigenlijk antwoord vervingen door het antwoord waarvan ze geloven dat het ‘t meest (of minst) populaire is, of ze beter zouden scoren als ze bepaalde gegevens verkeerd rapporteren en of ze beter zouden scoren door antwoorden te simuleren van iemand anders “die ze goed kennen”. Alle types van misleiding bleken (voor de meerheid van de respondenten) geassocieerd met een substantieel gedaalde score en dus kan de formule worden gezien als waarheid-inducerend in settings waar alleen de respondent de eigenlijke waarheid kent.

————————-

Psychological Science [pre print]

Measuring the Prevalence of Questionable Research Practices with Incentives for Truth-telling

Leslie K. John (Harvard Business School), George Loewenstein (Carnegie Mellon University), Drazen Prelec (Massachusetts Institute of Technology)

Hoewel gevallen van wetenschappelijk wangedrag al significante media-aandacht hebben gekregen, komt exploitatie van de grijze-zone voor aanvaardbare praktijken veel meer voor en is het mogelijks schadelijker voor het academisch initiatief op lange termijn. Bedenkelijke research-praktijken (QRPs), zoals het uitsluiten van gegevens gebaseerd op post-hoc criteria, kunnen op een onechte manier de kans op het vinden van bewijs ter ondersteuning van een hypothese verhogen. Hoe dramatisch deze effekten kunnen zijn, werd aangetoond via een serie experimenten en simulaties die tonen in welke mate QRPs de kans verhogen op het vinden van ondersteuning voor een hypothese die vals is. QRPs zijn de steroïden van de wetenschappelijke competitie, en versterken de prestaties op kunstmatige wijze terwijl ze een aanzienlijke speelruimte laten voor rationalisering en zelfbedrog. De bezorgdheid aangaande QRPs stijgt en meerdere bevragingen, grotendeels beperkt tot medische researchers [Er wordt naar enkele artikels verwezen (referenties op aanvraag). Enkele korte besluiten… Fraude en onjuiste voorstellingen bij klinische proeven lijken zeldzaam... /// In een bepaalde studie werd ernstig wetenschappelijk wangedrag gemeld door 8,6% van de respondenten...], hebben gepeild naar hoe vaak ze voorkomen. Hier meten we hoeveel psychologen zich overgeven aan QRPs.

Zoals bij elk onethisch of sociaal gestigmatiseerd gedrag, bestaat de kans dat gegevens uit bevragingen de echte prevalentie sterk onderschatten. Respondenten worden weinig (buiten hun goeie wil) aangemoedigd om eerlijke antwoorden te geven. Het doel van de huidige studie was om realistische schattingen qua QRPs te verkrijgen via een nieuwe bevraging-methodologie die expliciete respons-afhankelijke prikkels inbouwt om de waarheid te vertellen, en vult zelf-rapportering aan met onpersoonlijke oordelen over de prevalentie van de praktijken en over de eerlijkheid van respondenten. Deze onpersoonlijke oordelen geven aanleiding tot alternatieve schattingen, die kunnen worden gebruikt om de eigenlijke prevalentie af te leiden. Bij QRPs zijn zelfs de ruwe aantallen van toegevingen verrassend hoog en voor bepaalde praktijken benadert de afgeleide, eigenlijke schatting de 100%, wat suggereert dat deze praktijken de facto de wetenschappelijke norm uitmaken.

Methode

Bevraging van research-psychologen bij belangrijke universiteiten in de V.S. Bij de test-conditie werden ‘incentives’ [prikkels/aanmoedigingen] voor het vertellen van de waarheid gelinkt met het ‘Bayesian truth serum scoring’ [BTS; zie onze inleiding] algoritme, dat gebruik maakt van de persoonlijke antwoorden van de respondenten en hun schattingen van de verdeling van de antwoorden over de groep, als input voor een waarheid-belonende score-formule. Omwille van de vereiste voor anonimiteit, kon een compensatie niet direct worden gelinkt aan individuele scores. In plaats daarvan werd de respondenten verteld dat we een gift zouden doen aan een liefdadigheid-instelling die ze konden kiezen uit 5 opties en dat de grootte van deze donatie zou afhangen van de waarachtigheid van hun responsen (bepaald door het score-systeem). Door het induceren van een (correct) geloof dat oneerlijkheid de gift zou verminderen, hoopten we de morele inzet te versterken. De respondenten kregen geen details over de manier van scoren maar er werd hen verteld dat het gebaseerd was op een algoritme dat in Science was gepubliceerd […]. Respondenten in de controle-conditie kregen simpelweg te horen dat een gift aan een liefdadigheid-instelling zou worden geschonken.

[…] We e-mailden een elektronische bevraging naar 5.964 academische psychologen. […] Er waren 2.155 respondenten (36%) […]. De deelnemers gaven anoniem aan of ze zich hadden overgegeven aan één van de 10 QRPs [zie hieronder; de percentages zijn die voor de BTS-conditie] en, zo ja, of ze hun aktiviteiten verdedigbaar achten. […]

De respondenten leverden ook twee onpersoonlijke oordelen: a) het aantal andere psychologen waarvan ze dachten te zijn overgegaan tot betwistbaar gedrag (prevalentie-schatting) en b) het percentage dat dit zou toegeven (toegeving-schatting). […]

Elk van de 3 antwoorden (persoonlijke toegeving, prevalentie-schatting, toegeving-schatting) biedt een verschillende manier om tot een uiteindelijke schatting van de eigenlijke prevalentie te komen. De geloofwaardigheid van elke schatting hangt af van de geloofwaardigheid van 1 van de 3 antwoorden in de bevraging: (1) Als de respondenten de persoonlijke vraag eerlijk beantwoorden, dan zullen de aantallen persoonlijke toegeving de eigenlijke (groep-) prevalentie weergeven. (2) Als de gemiddelde prevalentie-schatting accuraat is, dan zullen ze ook direct de eigenlijke prevalentie schatten. (3) Als de gemiddelde toegeving-schatting accuraat is, dan wordt de eigenlijke prevalentie geschat via de verhouding aantal toegevingen/toegeving-schatting. […]

Resultaten

1) In een artikel nalaten alle metingen van een studie te rapporteren. (66,5%)

2) Beslissen meer data te verzamelen na te hebben gekeken of de resultaten significant waren. (58,0%)

3) In een artikel nalaten alle condities van een studie te rapporteren. (27,4%)

4) Stoppen met het verzamelen van gegevens vóór het gepland was omdat men de vond dat men de resultaten had die werden. (22,5%)

5) In een artikel een p-waarde afronden. (23,3%)

6) In een artikel de studies die ‘werkten’ selektief rapporteren. (50,0%)

7) Beslissen om gegevens uit te sluiten data na te hebben bekeken wat de impact daarvan was op de resultaten. (43,4%)

8) In een artikel een onverwachte bevinding rapporteren als voorspeld bij de start. (35,0%)

9) In een artikel beweren dat resultaten niet werden beïnvloed door demografische variabelen wanneer men dat eigenlijk niet zeker is (of weet dat dit wel zo is). (4,5%)

10) Data vervalsen. (1,7%)

Prikkels tot het vertellen van de waarheid. […]

Prevalentie-schattingen. […]

[…] één op tien research-psychologen introduceerde valse gegevens in wetenschappelijke rapporten (Items 9 & 10), terwijl de meerderheid praktijken ondernamen zoals (1) selektieve rapportering bij studies, (3) het niet rapporteren van alle metingen, (4) het verzamelen van meer data, (6) het als verwacht rapporteren van onverwachte bevindingen en (8) het post-hoc uitsluiten van gegevens.

 […] Van de deelnemers in de BTS-conditie die de bevraging invulden, gaf 94,0% toe zich ten minste aan één QRP te hebben bezondig. […]

[…] Research-psychologen verschillen weinig wat betreft het beoordelen van het relatief onethisch karakter van de gedragingen, maar veel wat betreft waar ze de lijn trekken als het op hun eigen gedrag aankomt.

Ervaren verdedigbaarheid. […] Consistent met de notie dat ruimte voor rationalisering positief geassocieerd is met het overgaan tot QRPs, hadden respondenten die toegaven aan een QRP de neiging te denken dat hun akties verdedigbaar zijn. […] Er waren over het algemeen weinig verschillen per subgroep.

Twijfels over research-integriteit. Een relatief groot deel van de respondenten gaf aan dat ze twijfels hadden over research-integriteit bij ten minste één gelegenheid. […] Respondenten waren meer behoedzaam over onderzoek gegenereerd door mensen van ander instituten dan over dat van hun eigen medewerkers. […] Ca. 35% van de respondenten gaven aan dat ze twijfels hadden over de integriteit van hun eigen research bij ten minste één gelegenheid.

Frequentie. Hoewel de prevalentie-schattingen verkregen in de BTS-conditie ietwat hoger liggen dan eerdere schattingen, maken ze geen onderscheid tussen de research-psycholoog die routinematig overgaat tot een bepaald gedrag en deze die dat “slechts” éénmalig doet. […] We ondernamen een kleinschaliger bevraging waar we testten op verschillen qua aantal toegevingen […]. We vroegen gedrag-researchers die een jaarlijkse conferentie bijwoonden (n = 132) of ze zich hadden bezondigd aan 25 verschillende QRPs (vele die we ook hier gebruikten). […] De vragen waren in infinitief verwoord (“Vervalsen van data.”) of in de eerste persoon (“Ik heb data vervalst.”) en de deelnemers gaven aan of ze tot een gedrag waren overgegaan met een ja/nee of met een frequentie (nooit / één of twee keer / af en toe / frequent). […] De resultaten suggereren dat prevalentie-schattingen van de BTS-studie een combinatie zijn van “éénmalig” zowel als meer gangbaar gedrag.

Subgroep-verschillen. […] Er werden een relatief hoog aantal QRPs gerapporteerd onder de cognitieve, neurowetenschap- en sociale subdisciplines, en bij zij die gebruik maken van gedragsmatige, experimentele en laboratorium-methodologieën. Klinische psychologen rapporteerden een relatief laag aantal QRPs.

De verschillen zouden het afzonderlijk belang van onze QRPs voor deze subdisciplines en methodologieën kunnen weerspiegelen, of ze zouden verschillen qua ervaren verdedigbaarheid voor deze gedragingen kunnen weerspiegelen. Om deze mogelijke verklaringen te onderzoeken, zonden we een korte follow-up bevraging naar 1.440 van de deelnemers aan de BTS-bevraging en vroegen hen dezelfde 10 QRPs uit de initiële studie te beoordelen op: 1) De mate waarop elke praktijk toepasselijk is op hun research-methodologie – d.w.z. hoe frequent ze in de mogelijkheid verkeren tot een bepaalde praktijk over te gaan (mogelijke antwoorden: Nooit / Soms / Dikwijls / Altijd); en 2) Of het over het algemeen verdedigbaar is over te gaan tot een bepaalde praktijk (mogelijke antwoorden: Onverdedigbaar / Mogelijk verdedigbaar / Verdedigbaar). […] Er waren 504 respondenten (35%). […] De gemiddelde toepasbaarheid en verdedigbaarheid waren verhoogd onder sociale psychologen – een subgroep met relatief hoge aantallen toegevingen. De items waren in het bijzonder toepasselijk (maar niet als meer verdedigbaar beoordeeld) bij zij die gedrag-, experimenteel en laboratorium-research ondernemen.

[…]

Bespreking

De bezorgdheid over wetenschappelijk wangedrag hebben onderzoekers er toe gebracht om te proberen om de prevalentie van QRPs, die van toepassing zijn op wetenschappers, te schatten. In het licht van de recente bezorgdheid over de wetenschappelijke integriteit binnen de psychologie, werd deze studie opgezet om een nauwkeurige schatting van de prevalentie te geven van QRPs die specifiek van toepassing zijn op research-psychologen. Naast het feit dat dit één van de eerste enquêtes is die zich specifiek richten op research-psychologen, is het ook de eerste die de effektiviteit test van een dergelijk formaat dat prevalentie-cijfers meet op drie verschillende manieren.

Alle drie de prevalentie-metingen komen tot dezelfde conclusie: een verrassend groot deel van de psychologen geeft toe zich bezig te houden met QRPs. De impact van de BTS-conditie op het aantal toegevingen was positief en groter voor praktijken die de respondenten als minder verdedigbaar oordelen. Naast het openbaren van de prevalentie van QRPs, is deze studie (voor zover we weten) de eerste om te illustreren dat de hier gehanteerde methode kan leiden tot hogere, en waarschijnlijk meer geldige, prevalentie-schattingen van betwistbaar gedrag. De methode kan makkelijk worden gebruikt om de prevalentie van andere delicate gedragingen, zoals illegale of seksuele aktiviteiten, te schatten. Voor mogelijk nog groter nut, kan op BTS gebaseerde aanmoedigingen voor het vertellen van de waarheid worden gecombineerd met computer-geassisteerde zelf-interviews – een technologie die zelf-rapporteringen van delicaat gedrag bleek te verhogen.

Er zijn een aantal onderdelen aan de BTS-procedure – zowel een verzoek en stimulans om de waarheid te vertellen – en wij zijn niet in staat om hun onafhankelijke effekten op de openbaarmaking te isoleren. Belangrijk is echter beide onderdelen respondenten beloonden voor het vertellen van de waarheid – niet enkel om “ja” te zeggen, ongeacht of ze dergelijk betwistbaar gedrag hadden vertoond. Daarom werden beide componenten ontworpen om de geldigheid van de responsen te verhogen. Toekomstig onderzoek zou de relatieve bijdrage van de verschillende BTS-componenten bij het uitlokken van waarheidsgetrouwe responsen kunnen testen.

Bij dit onderzoek wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de hogere prevalentie-schattingen meer geldig zijn – een veronderstelling die bij een groot aantal onderzoeken, die de prevalentie van betwistbaar gedrag beoordelen, is doorgedrongen. Deze veronderstelling wordt algemeen aanvaard, op voorwaarde dat het gedrag in kwestie delicaat is en/of maatschappelijk ongewenst. De rationale is dat de respondenten meer waarschijnlijk niet in verleiding worden gebracht om toe te geven aan schandelijke gedrag maar dat ze geneigd zijn betrokkenheid te ontkennen van dergelijke gedragingen waar ze wel degelijk bij betrokken waren. We denken dat deze veronderstelling, gezien het onderwerp, ook verdedigbaar is in de huidige studie.

Zoals in de inleiding aangegeven, is er een grote grijze zone van acceptabel gedrag. Hoewel het vervalsen van gegevens nooit gerechtvaardigd is, kan hetzelfde niet gezegd worden voor alle items; bijvoorbeeld: het niet rapporteren van alle metingen bij een onderzoek kan gepast zijn als twee metingen voor dezelfde construktie hetzelfde significante patroon qua resultaten geven, die niet gemakkelijk kunnen worden gecombineerd tot één. Daarom vertegenwoordigen niet alle toegevingen wetenschappelijke zware fouten, of zelfs kleinere vergrijpen; sommige respondenten leveren perfekt verdedigbare redenen om tot een bepaald gedrag over te gaan. Toch voeren andere respondenten rechtvaardigende argumenten aan die, hoewel ze die zelf als “verdedigbaar” categoriseerden, omstreden waren (bv. het laten vallen van de metingen die niet in overeenstemming zijn met de hypothese, omdat daarmee een meer samenhangend verhaal kan worden verteld, waardoor de kans op publicatie vergroot). Opmerkelijk is echter dat in het follow-up onderzoek – waarin de deelnemers het gedrag, ongeacht de betrokkenheid, beoordeelden – de aantallen voor verdedigbaar gedrag laag waren; wat er op wijst dat het algemeen sentiment is dat dergelijke gedragingen niet te rechtvaardigen zijn.

We gaan ervan uit dat de overgrote meerderheid van de onderzoekers oprecht gemotiveerd is om degelijk wetenschappelijk onderzoek te doen. Respondenten lijken onbewust over te gaan tot QRPs – zij die aangeven dat ze betrokken waren bij de praktijken, geloven over het algemeen dat hun daden verdedigbaar zijn.

Dit geloof kan voor een deel een nevenprodukt zijn van publikatie-druk: de inherente ambiguïteit bij de verdedigbaarheid van onderzoek-praktijken kan researchers er toe leiden, per ongeluk, deze dubbelzinnigheid te gebruiken om zichzelf te misleiden en hun eigen dubieuze research-praktijken als “verdedigbaar” te zien. Deze denkwijze zou ten dele kunnen verklaren waarom de meest ongehoorde praktijken in ons onderzoek (bv. “het vervalsen van gegevens”) minder vaak lijken voor te komen dan de relatief “minder betwistbare” (bv. “niet alle condities van een studie melden”) – het is makkelijker om een post-hoc uitleg te bedenken om het weglaten van “balast” gegevens te “rechtvaardigen” dan om duidelijke data-vervalsing te rechtvaardigen, hoewel beide praktijken vergelijkbare opleveren.

Gezien de bevindingen van onze bevraging, is het geen verrassing dat vele onderzoekers hun bezorgdheid uiten over de mislukkingen om gepubliceerde resultaten te repliceren. In een stuk in de New Yorker stuk (2010) over de problematiek van de niet-reproduceerbaarheid, bespreekt Jonah Lehrer mogelijke verklaringen voor het afname-effekt” – de neiging van effekt-groottes om af te nemen bij daaropvolgende pogingen tot replicatie. Hij concludeert dat conventionele verklaringen van dit effekt (bv. publikatie-bias) onvolledig zouden kunnen zijn. In een daaropvolgend en inzichtelijk commentaar, suggereert Jonathan Schooler dat niet-gepubliceerde gegevens verantwoordelijk kunnen zijn voor het afname-effekt. Door het documenteren van het verrassend groot deel van de onderzoekers dat betrokken is bij QRPs – met inbegrip van het selektief weglaten van observaties, experimentele condities en studies uit de wetenschappelijke documenten – biedt het huidige onderzoek empirische ondersteuning voor Schooler’s bewering. Recent werk van anderen gaat verder: door te laten zien hoe gemakkelijk QRPs ongeldige resultaten kunnen opleveren en door hervormingen voor te stellen.

QRPs kunnen de tijd van onderzoekers verspillen en wetenschappelijke vooruitgang uitstellen, aangezien researchers vruchteloos streven naar uitbreiding van effekten die niet echt zijn en deze dus niet kunnen repliceren. Maar meer ontmoedigend is het feit dat ze de research-integriteit bedreigen en onrealistisch elegante resultaten produceren die moeilijk te evenaren zijn zonder zelf tot dergelijke praktijken over te gaan. Dit kan leiden tot een ‘race naar de bodem’, met twijfelachtig onderzoek dat nog meer twijfelachtig onderzoek voortbrengt. Als hervormingen naar het verminderen van de prevalentie van QRPs toe doeltreffend zouden zijn, zou dit niet alleen de wetenschappelijke integriteit ondersteunen maar ook de druk op onderzoekers om onrealistisch elegante resultaten te produceren kunnen verminderen.

oktober 29, 2011

Een Epidemie van Valse Beweringen

Gearchiveerd onder: Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 5:48 pm
Tags: , , ,

John Ioannidis – arts, professor geneeskunde / gezondheid-research & -beleid en afdeling-hoofd van de het ‘Stanford Prevention Research Centre’ aan de ‘Stanford University School of Medicine’ – bespreekt belangrijke problemen bij biomedische research en manieren om de planning, uitvoeringen en rapportering sterker te maken.

Scientific American Magazine Juni 2011

Een Epidemie van Valse Beweringen

Competitie en belangen-conflicten vervormen te veel medische bevindingen

John P. A. Ioannidis

Vals positieven en overdreven resultaten bij ‘peer-reviewed’ wetenschappelijke studies hebben in de afgelopen jaren epidemische proporties aangenomen. Het probleem is alomtegenwoordig in de economische, sociale en zelfs in de natuur-wetenschappen, maar het is vooral kolossaal in de biomedische wetenschappen. Veel studies die claimen dat sommige medicijnen of behandelingen nuttig zijn, bleken niet waar te zijn. We hoeven maar te kijken naar de tegenstrijdige bevindingen over beta-caroteen, vitamine-E, hormoon-behandelingen, Vioxx en Avandia. Zelfs wanneer effekten autenthiek zijn, is de ware omvang ervan vaak kleiner dan aanvankelijk werd beweerd. Het probleem begint met de stijgende verwachtingen van de wetenschap bij het publiek. Doordat ze menselijk zijn, hebben wetenschappers de neiging om aan te tonen dat ze meer weten dan eigenlijk het geval is. Het aantal onderzoekers – en het aantal experimenten, observaties en analyses die ze produceren – is ook exponentieel toegenomen in vele gebieden, maar afdoende beveiligingen tegen vooroordelen ontbreken. Onderzoek is gefragmenteerd, de concurrentie is fel en de nadruk wordt vaak gelegd op afzonderlijke studies in plaats van het grote geheel. Veel onderzoek wordt uitgevoerd om andere redenen dan het streven naar waarheid. Belangen-conflicten zijn er in overvloed en ze beïnvloeden de resultaten. In de gezondheid-zorg wordt onderzoek vaak uitgevoerd in opdracht van bedrijven die een groot financieel belang bij de resultaten hebben. Zelfs voor academici staat of valt het succes vaak met het publiceren van positieve bevindingen. De oligopolie van ‘high-impact’ tijdschriften heeft ook een verstorend effekt op de financiering, academische carrière en de markt-aandelen. De industrie maakt de onderzoek-agenda op maat van hun behoeften, wat ook de academische prioriteiten, tijdschrift-omzet en zelfs de publieke financiering vorm geeft.

De crisis zou het vertrouwen in de wetenschappelijke methode niet mogen schaden. De mogelijkheid om iets als vals aan te duiden blijft een kenmerk van de wetenschap. Maar wetenschappers moeten de manier waarop ze hun onderzoek uitvoeren en hoe ze bewijs verspreiden verbeteren. Ten eerste moeten we routinematig robuuste en uitgebreide externe validatie eisen – onder de vorm van bijkomende studies – voor elk rapport dat beweert iets nieuws te hebben gevonden. Veel onderzoek-gebieden besteden weinig aandacht aan de noodzaak van replicatie of zijn er te spaarzaam mee en doen het op goed geluk. Ten tweede: wetenschappelijke rapporten moeten rekening houden met het aantal analyses die zijn uitgevoerd, wat neiging tot vals positieven zou bagatelliseren. Natuurlijk zou dat betekenen dat sommige geldige claims over het hoofd worden gezien. Hierbij zouden grote internationale samenwerking-verbanden onontbeerlijk zijn. Epidemiologie van het menselijk genoom heeft een goed ‘track-record’ omdat enkele grote consortia rigoureus genetische risico-factoren valideren. De beste manier om ervoor te zorgen dat de test-resultaten worden geverifieerd, zou zijn dat wetenschappers hun gedetailleerde experimentele protocollen registreren vooraleer hun onderzoek te starten en de volledige resultaten en gegevens openbaar maken wanneer het onderzoek klaar is. Op dit moment worden resultaten vaak selektief gerapporteerd waarbij de nadruk wordt gelegd op de meest opwindende, en buitenstaanders hebben vaak geen toegang tot wat ze nodig hebben om studies te repliceren. Tijdschriften en financiering-agentschappen moeten volledige openbaarheid van alle gegevens en analytische methoden voor elk gepubliceerd artikel sterk aanmoedigen. Het zou ook helpen als wetenschappers op voorhand de beperkingen van hun gegevens of de inherente gebreken van hun studie-ontwerpen zouden meegeven. Zo ook moeten wetenschappers en sponsors grondig alle potentiële belangenconflicten omschrijven. Sommige onderzoek-gebieden hebben één of meerdere van deze mechanismen overgenomen. Grote internationale consortia worden steeds gemeengoed in de epidemiologie; tijdschriften zoals ‘Annals of Internal Medicine’ en het ‘Journal of the American Medical Association’ instrueren auteurs om studie-beperkingen te adresseren en veel tijdschriften stellen vragen over belangen-conflicten. Het op grote schaal toepassen van de maatregelen zal echter niet gemakkelijk zijn.

Vele wetenschappers die zich bezighouden met onderzoek van hoge inzet zullen weigeren grote onthullingen te doen. Nog belangrijker: veel essentieel onderzoek werd al overgelaten aan de farmaceutische en biomedische industrie, die soms ontwerpen en studies rapporteren op een manier die het meest gunstig is voor hun produkten. Dit is een knelpunt. Hogere investeringen in ‘evidence-based’ klinisch en populatie-onderzoek, bijvoorbeeld, zou niet moeten worden ontworpen door de industrie maar door wetenschappers zonder belangen-conflicten.

Uiteindelijk zouden bevindingen die wegen op behandeling-beslissingen en het beleid moeten verschijnen met een uitleg over onzekerheden die ze omgeven. […]

juli 5, 2010

Citatie, peer review & authoriteit – bedachtzaamheid bij wetenschappelijke verslaggeving

Gearchiveerd onder: Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 6:38 am
Tags: , , ,

Het citeren van onderbouwde artikels zou een onpartijdige wetenschappelijke methode en een sterke vorm van sociale communicatie kunnen/moeten zijn. Jammer genoeg zijn er mensen die er misbruik van maken en de informatie op verschillende manieren proberen te verdraaien om informatie-stromen te generen die leiden tot het verlenen van ongefundeerde authoriteit aan beweringen. Ook in de M.E.(cvs) gemeenschap gebeurt dit!

We geven onderstaand stuk mee opdat lezers beducht zouden leren worden voor dergelijke mechanismen en nuance kunnen aanbrengen in de stroom van (al dan niet wetenschappelijke) informatie die over ons heen komt. Check de bronnen en wees kritisch. Lees niet enkel datgene u wil horen.

BMJ 2009;339:b2680

Hoe verdraaiingen van citaties ongefundeerde authoriteit creëeren

Steven A Greenberg, associate professor of neurology

Children’s Hospital Informatics Program and Department of Neurology, Brigham and Women’s Hospital, Harvard Medical School, Boston, MA 02115, USA

Inleiding

Biomedische kennis ontstaat uit wetenschappelijke gegevens. De wijze waarop dit gebeurt binnen de afzonderlijke wetenschappelijke publicaties is een algemeen aanvaard proces waarbij artikels rapporteren over de rationale, methodes, resultaten en conclusies. Hoe een volledig overtuiging-/geloof-systeem dat wordt gedeeld door een wetenschappelijke gemeenschap uiteindelijk evolueert uit data van alle artikels binnen een specialiteit, wordt minder goed begrepen. […]

De benadering die hier werd genomen was om eenvoudig alle verklaringen in de medische literatuur over een geloof-systeem te verzamelen en het citatie-patroon daarvan te bestuderen – d.w.z. hoe elke uitspraak wordt ondersteund door een referentie naar andere artikels.

Bespreking

Citatie, de handeling van het verbinden van verklaringen d.m.v. verwijzing naar de bredere literatuur, is niet simpelweg een onpartijdige wetenschappelijke methode voor het linken van gerelateerde gepubliceerde kennis. Citatie kan worden gebruikt voor eigen-belang of als overtuiging-instrument. Deze aspecten van citatie zouden sociale citatie kunnen word genoemd. Er werd hier bestudeerd hoe verdraaiingen/vervormingen van het overtuiging-aspect van sociale citatie kan resulteren in brede acceptatie als feit van ongefundeerde beweringen. Deze vervormingen kunnen worden gedetekteerd en geïnterpreteerd d.m.v. sociaal-netwerk theorie omdat citatie ter overtuiging een sociaal gedrag is. Netwerk-theorie toegepast op citatie-netwerken, opgebouwd uit volledige artikel-bibliografieën, zoals het wetenschap-citatie netwerk, kan maatschappelijke attitudes betreffende tijdschriften en specifieke artikels (bv. impact-factoren) onthullen maar deze netwerken zijn niet [altijd] geschikt voor het begrijpen van de grondslag(en) voor geloof in specifieke beweringen. Als netwerken in plaats daarvan worden beperkt tot citatie met betrekking tot één set van verwante claims (een claim-specifiek citatie-netwerk) dan worden ze scherp gefocuste instrumenten voor het begrijpen van sociale communicatie betreffende de beweringen – wat in feite het gepubliceerd document van een geloof-systeem is dat wordt gedeeld door een gemeenschap. Deze laten ter studie toe niet enkel wat wordt gezegd over een overtuiging (de traditionele bedoeling van ‘review-papers’ [overzicht artikelen]) maar ook wie het hoort en hoe het wordt na-verteld.

[…] De computer-analyse van het claim-specifiek citatie-netwerk dat het overtuiging-systeem vertegenwoordigt, detekteerde bepaalde vervormingen in de citatie-patronen die niet zouden zijn verwacht als enkel wetenschappelijke citatie zou gebruikt zijn geweest. Primaire gegevens die beweringen waarop de overtuiging was gebaseerd verzwakten of verwierpen, werden genegeerd (citatie-bias) en een klein aantal invloedrijke artikels en citaties versterkten exponentieel met verloop van tijd de ondersteunende claim zonder nieuwe primaire data aan te brengen (amplificatie). Bepaalde verwante beweringen werden als feit verzonnen. De gecombineerde effekten van deze citatie-verdraaiingen resulteerde in authoriteit van de overtuiging (aanvaarding ervan) overéénkomstig met sociaal-netwerk theorie.

Drie factoren kunnen verklaren hoe citatie-vervormingen authoriteit creëeren bij een overtuiging-systeem. Voorop staat de kracht van citatie door de keuze van welke artikels men kiest welke men negeert (citatie-bias), door het citeren maar verdraaien van de inhoud (citatie-afleiding) en door het gebruiken van citatie om feiten te verzinnen (citatie-vormverandering, ‘dood-lopende’ citatie en ‘achterdeur’-verzinning).

Ten tweede is een inherente eigenschap van negatieve resultaten dat ze zich niet verspreiden via het netwerk. Ze werden niet herhaaldelijk geciteerd door hun auteurs in latere artikels aangezien er misschien simpel-weg verder niets over te zeggen viel. Anders dan ‘positieve resultaten’ is er niets opwindend aan het herhaaldelijk schrijven over hoe iets niét werd gevonden bij een experiment. Dus is de vooruitgang vanuit gegevens naar aanvaarde bewering verschillend tussen een enkel artikel vergeleken met vele artikels binnen een specialiteit. Binnen een enkel artikel zien lezers nieuwe claims over het algemeen als vals tot ze juist blijken d.m.v. overtuigende methodes en resultaten. […]

Ten derde, het geloof-systeem is mogelijks een informatie-cascade […], een entiteit die opkomt wanneer mensen voordeel denken te halen uit het aanvaarden van de heersende opvatting i.p.v. persoonlijke informatie waarover ze zouden kunnen beschikken bij het maken van keuzes. Van bepaalde mathematische eigenschappen van informatie-cascades (preferentiële gehechtheid) zou inderdaad kunnen verwacht een netwerk op te leveren met de eigenschappen die hier worden gezien (een bevooroordeeld netwerk […]). Vele auteurs zouden zich wel eens niet bewust kunnen zijn van de kritieke gegevens, aangezien deze doeltreffend geïsoleerd zijn uit het discours aangaande de claim en niet vermeld worden in overzicht-artikels. Hoewel onbetrouwbare informatie-cascades in theorie fragiel zijn en snel uitéén vallen wanneer ze worden blootgesteld, gebeurt dit misschien niet bij biomedische overtuiging-systemen, waarbij tegengesproken claims blijven bestaan.

Vele gepubliceerde biomedische geloof-systemen zouden informatie-cascades kunnen zijn omdat herhaling van beweringen alomtegenwoordig zijn in de biomedische literatuur. Vele zijn gefundeerd op solide gegevens, waarbij de auteurs claims herhalen na te hebben vertrouwd op het gepubliceerd deskundig advies van hun collegas. Er bestaan echter prikkels voor het genereren en verbinden van informatie-cascades ongeacht hun soliditeit. Zich aansluiten bij een informatie-cascade helpt publicatie, aangezien artikels iets hebben te vertellen en negatieve resultaten hebben bevooroordeling tegen. Het ontwikkelen van en het toetreden tot een informatie-cascade kan de kans op het verkrijgen van research-fondsen verbeteren omdat door hypothese aangedreven research een essentiële vereiste is bij vele research-financierende agentschappen (zoals de ‘National Institutes of Health’) en succesvolle financiering vereist over het algemeen een “sterke hypothese … gebaseerd op aktuele wetenschappelijke literatuur” – d.w.z. het gepubliceerde overtuiging-/geloof-systeem van een claim. Kansen op succesvolle financiering kunnen daarom worden verhoogd door tot de cascade toe te treden (het herhalen van de bewering en het voorstellen van experimentele plannen er omtrent). Bij de uitbouw van het citatie-netwerk naar tekst in subsidie-voorstellen die worden gesponsord door [bv.] de ‘National Institutes of Health’, zijn citatie-bias, afleiding of verzinsel dikwijls aanwezig. Eens research-financiering werd gebruikt om een cascade te vervoegen, zijn er verdere prikkels om resultaten te interpreteren via confirmate-bias (“op een manier die iemand’s vooroordelen bevestigt en informatie vermijdt, en via interpretaties die eerdere overtuigingen tegenspreken”) om succes van de research aan te tonen voor toekomstige financiering. Hoewel het vervoegen van een informatie-cascade succesvol gedrag kan zijn voor sommige mensen, reduceert het de waarschijnlijkheid dat toekomstige onderzoekers kunnen ontdekken of het betrouwbaar is of niet.

Methodes voor de construktie en analyse van uitgebreide claim-specifieke citatie-netwerken biedt uitdagingen en beperkingen. Deze omvatten het interpreteren van de betekenis van tekst, gezien mensen redelijkerwijs tekst verschillend kunnen interpreteren, en het begrijpen van de geobserveerde fenomenen. […]

————————-

Woordenschat citatie-vervormingen

Citering

Wetenschappelijke én sociale vormen: de wetenschappelijke vorm verbindt verklaringen met de bredere medische literatuur, de sociale vorm (sociale citatie) omvat zelf-bedienende en overredenende subtypes.

Citatie-verdraaiingen

Zelf-bedienende citering is altijd een vervorming.

Overredenende citering kan nodig zijn om nieuwe, solide claims te communiceren naar de wetenschappelijke gemeenschap; dit kan echter op een vervormde manier worden gebruikt – citatie-bias, amplificatie en verzinning.

Citatie-bias

Systematisch negeren van artikels die inhoud bevatten die strijdig is met een claim.

‘Ondersteuning’-claim; rechtvaardigen van dier-modellen om mogelijkheden te bieden een claim te versterken.

Amplificatie

Uitbreiding van een geloof-systeem zonder gegevens.

Citatie in artikels die geen primaire data bevatten, het verhogen van het aantal citaties die de claim steunen zonder gegevens te presenteren die ernaar verwijzen.

Verzinning

Citatie-afleiding – het citeren van inhoud maar claimen dat het een andere betekenis heeft, waardoor de gevolgen worden verlegd.

Citatie-transmutatie – de omzetting van hypothese in feit enkel door citatie.

‘Achterdeur’ verzinsel – herhaalde misrepresentatie van samenvattingen als ‘peer-reviewed’ artikels om lezers te bedotten en ze te laten geloven dat beweringen gebaseerd zijn op ‘peer-reviewed’ gepubliceerde methodes en gegevens.

‘Dood-lopende’ citatie – ondersteuning van een claim met citatie in artikels die geen inhoud bevatten die naar de bewering verwijst.

Titel-verzinning – melding van ‘experimentele resultaten’ in de titel van een artikel, zelfs als het artikel de melding over uitvoering of resultaten van dergelijke experimenten niet ondersteunt.

*************************

Bij het lezen van meldingen over wetenschappelijk onderzoek, hier en elders, is het belangrijk dat de lezer niet overhaast conclusies trekt. Meningen allerhande kan men overal op het www vinden. Pers-berichten (niet altijd even betrouwbaar), conferentie-verslagen, blogs (zoals deze hier – lees dus vooral ook de artikels zelf!), meldingen van ‘journalisten’ over nog niet gepubliceerde stukken, enz. Het is zeer belangrijk de bronnen te checken!

Wetenschappers zijn overigens ook mensen en maken dus wel eens fouten. Uiteindelijk zal de waarheid bovenkomen. We moeten de ‘peer review’ zijn gang laten gaan en respecteren, en wetenschap zichzelf laten corrigeren. Het blokkeren van publicaties is anders natuurlijk ook een belemmering van het wetenschappelijk proces. Er kan dan achterdocht ontstaan en men zou in dat geval niet toelaten aan wetenschappers dat ze zichzelf en hun collegas stap voor stap verbeteren. Het publiek moet echter inzien dat het nooit ‘alles of niets’ is. Als er over de gekende gegevens geen consensus bestaat, is het niet wetenschappelijk om definitieve antwoorden, testen, behandelingen, enz. te eisen.

Grant Jacobs, een wetenschapper uit Nieuw-Zeeland schreef – n.a.v. de aanhoudende XMRV-controverse bij M.E.(cvs) – op zijn blog (sciblogs.co.nz/code-for-life; 29 jun 2010) het volgende; maar het geldt natuurlijk voor alle wetenschap:

Eén van de frustrerende dingen voor wetenchappers is te moeten vaststellen dat media-verslaggeving te snel op dingen springt (Dat wanhopige verbruikers en dubieuze behandelaars te gauw nieuwe resultaten willen, helpt de zaken ook niet vooruit.) en melding maakt van elke nieuwe bevinding in een onopgelost verhaal alsof het de laatste woorden erover betrof. Het schildert elk research-artikel af als definitief. Een research-artikel is in feite een argument voor een geval, een geval dat later misschien wel  mogelijks verkeerd blijkt.

‘Instant’ stap-per-stap verslagen portreteren wetenschap als een progressie van abrupte ontdekkingen, in plaats van  een opéénstapeling van kleinere stukjes uit veel verschillende bronnen die met verloop van tijd leiden tot grotere conclusies. Het is juist dat er af en toe werkelijk verrassende bevindingen zijn die in het gezicht vliegen van het meeste dat was gekend op een bepaald gebied maar die zijn zeldzaam; veel gebruikelijker zijn toevoegingen aan wat is geweten. Soms worden research-bevindingen tegengesproken door latere studies. Eén van de basis-beginselen van wetenschap is dat experimenten zouden moeten in staat zijn te worden herhaald. Resultaten zouden reproduceerbaar moeten zijn. Als resultaten niet kunnen worden gereproduceerd, is meer werk nodig om uit te klaren wat waar is en wat niet, om uit te vinden wat juist het verschil maakte. Dikwijls is geen enkel resultaat ‘verkeerd’ maar eerder lichtjes verschillende (en geldige) benaderingen geven resultaten die met elkaar tegenstrijdig zijn. Dit is dikwijls hoe nieuwe factoren, die voor een verhaal belangrijk zijn, worden blootgelegd.

De resolutie van tegenstrijdige resultaten kan vrij technisch zijn. De verschillende resultaten kunnen te wijten zijn aan verschillende technieken, contaminatie, verschillen in stalen en andere factoren. Het oplossen daarvan vergt gewoonlijk een gedetailleerd begrip van het betrokken onderzoek-gebied van de wetenschap.

Van belang is dus de media-rapportering, in het bijzonder hoe nieuwe research-bevindingen worden voorgesteld.

Het melden van bevindingen uit hun context is misleidend. Soms zijn rapporten in de media correct in het aangeven van een naar voren tredend verhaal, wat goed is. Maar soms waren ze al een keer eerder verkeerd en willen ze dat niet meer voor hebben.

Pers-berichten door instituten of gevestigde belangen (bv. degenen die testen aanbieden) kunnen de dingen in grote mate vanuit hun standpunt voorstellen, waarbij ze tegengestelde standpunten bagatelliseren of weglaten. Eén reden waarom op media-rapporten die grotendeels herschreven pers-berichten zijn wordt neergekeken, is dat ze dikwijls niet de volledige context weergeven waarbinnen de nieuwe bevindingen vallen (als ze er al één meegeven). Onopgeloste wetenschap-vraagstukken kunnen nogal gepolariseerd raken, bijzonderlijk wanneer er tegenstrijdige resultaten opduiken, waarbij enkele researchers in verschillende kampen terechtkomen. Vragen waar de bevindingen van een onderzoeker op wijzen, zal waarschijnlijk slechts een deel van het verhaal weergeven, mogelijks een nogal misleidend deel als het niet correct in de volledige context wordt geplaatst.

In verder-lopende verhalen – wat in veel gevallen alle wetenschappelijke verhalen betekent – zouden interviewers de vraag moeten stellen “Wat is de stand van zaken?” Is dit een kwestie die men nog aan het oplossen is? Bevestigen andere studies dat de nieuwe resultaten (waarschijnlijk) correct (zullen) zijn? Welke aspecten zijn nog onzeker of waarschijnlijk, in plaats van getest? Worden de nieuwe bevindingen geaccepteerd door de meeste specialisten in het onderzoek-gebied? (Er zorg voor dragend te onthouden dat het de soliditeit van het bewijs is die telt; meningen tellen niet echt mee – in tegenstelling tot bewijs…)

Hebben andere specialisten de kans al gekregen de research te bekijken en er op door te denken ? Dit is in het bijzonder belangrijk als het nieuws vers is: het kost tijd de details van research-bevindingen te absorberen. Snel rapporteren, bijzonderlijk over research onder embargo, kan vooruit lopen op de tijd nodig om de nieuwe resultaten te absorberen.

Proberen te verstaan wat de stand van zaken is, is proberen de nieuwe resultaten te begrijpen in de context van de literatuur of relevante wetenschappelijk gemeenschap als geheel, in plaats van vanuit het perspektief van één persoon of één research-artikel. Dit alles versterkt misschien opnieuw dat verhalen door specialisten best in de handen van specialisten blijven, maar de juiste vragen moeten minstens kunnen worden gesteld [Ook door patiënten!].

oktober 25, 2009

Interpretatie wetenschappelijke studies

Gearchiveerd onder: Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 4:04 pm
Tags: , , , ,

http://www.cfids.org/about-cfids/medical-research-sense.asp

CFIDS Association of America

Making Sense of Medical Research

[…] Elke nieuwe ontdekking is onderworpen aan verscheidene interpretaties en zou moeten worden gezien in de context van de wetenschappelijke methode.

Hier volgt wat info overgenomen uit een ‘fact-sheet’ van de ‘National Institute on Aging’ getiteld ‘Understanding Risk: What Do Those Headlines Really Mean?’ [U.S. National Institues of Health; www.nia.nih.gov/HealthInformation/Publications/risk.htm] […] Het kan helpen CVS-studies beter te begrijpen. Het is degelijke informatie om in het achterhoofd te houden telkens een nieuwe studie over CVS verschijnt.

Elke dag zien we verhalen over nieuwe medische vondsten in de krant of op televisie. We horen bijvoorbeeld dat een bepaald medicijn een 300% of drie-voudinge stijging van het aantal beroertes veroorzaakt. Dat is een grote toename – het klinkt angstaanjangend. Maar, als je weet dat bij elke 10.000 mensen die het medicijn niet nemen, er twee beroertes voorkomen, dan betekent een drie-voudige stiging eigenlijk slechts zes extra beroertes. Misschien is dat niet zo heel schrikwekkend. Het is ook verwarrend dat verhalen soms tegenstrijdige resultaten lijken te melden – een nieuw vaccin voorkomt een verwoestende infektie, of doet dat niet. Wie zijn wij om wijs geraken uit dergelijke verhalen? Hoe weten we wat te geloven?

[…]

Als je leest over nieuwe medische bevinding, vraag dan jezelf af:

Was het een studie in het laboratorium, bij dieren of bij mensen? Onderzoeksresultaten bij mensen zijn wellicht meer betekenisvol voor je.

Omvat de studie genoeg mensen zoal jezelf? Je zou moeten controleren om te zien of de mensen in de studie dezelfde leeftijd, hetzelfde geslacht, onderwijsniveau; dezelfde ethnische achtergrond hadden en tot dezelfde inkomsten-groep behoorden als jezelf; en dezelfde gezondheidszorgen hadden.

Was het een gerandomiseerde, gecontroleerde klinische proef met duizenden mensen? Deze zijn de duurste om uit te voeren maar ze geven wetenschappers ook de betrouwbaarste resultaten.

Waar werd het onderzoek uitgevoerd? Wetenschappers aan een geneeskunde-departement of groot ziekenhuis bv. zijn wellicht beter uitgerust om ingewikkelde complex experimenten uit te voeren of hebben meer ervaring met het thema. Vele grote klinische testen omvatten meerdere instituten maar de resultaten kunnen worden gerapporteerd door één coördinerende groep.

Worden de resultaten op een makkelijk te begrijpen manier voorgesteld? Ze zouden het absoluut risico, relatief risico of een ander begrijpbaar getal moeten gebruiken.

Als een nieuwe behandeling werd getest: waren er nevenwerkingen? Soms zijn de bijwerkingen bijna zo ernstig als de ziekte. Of ze kunnen betekenen dat het medicijn een ander gezondheidsprobleem kan doen verergeren.

Wie betaalde voor de research? Zijn degenen die steun bieden er op uit financieel voordeel te halen uit positieve of negatieve resultaten? Soms draagt de regering of een grote stichting financieel bij in de research-kosten. Dit betekent dat ze de plannen van het project hebben bekeken en beslisten ze dat de financiering eerzaam was maar ze er toch geen geld uit winnen. Als een medicijn wordt getest, kan de studie gedeeltelijk of volledig zijn betaald door het bedrijf dat het medicijn zal produceren en verkopen.

Wie rapporteert de resultaten? Is de krant, het tijdschrift, radio- of televisie-station een betrouwbare bron voor medisch nieuws? Sommige grote publicaties en omroep-stations hebben speciale wetesnchap-reporters die gevormd zijn medische bevindingen te interpreteren. Je kan ook gaan praten met je arts om je te helen oordelen hoe correct de meldingen zijn.

Onthou dat vooruitgang op het gebied van medische research vele jaren duurt. De resultaten van één studie moeten worden gedupliceerd door andere wetenschappers op andere plaatsen vooraleer ze worden aanvaard als algemene medische praktijk. Elke stap op het onderzoekspad biedt een sleutel tot het uiteindelijk antwoord – en waarschijnlijk doet het ook een nieuwe vraag rijzen.

[…]

Wetenschap is een sociale onderneming en wetenschappelijk werk wordt meestal door de gemeenschap geaccepteerd als het werd bevestigd. Cruciaal is dat experimentele en theoretische resultaten door anderen binnen de wetenschappelijke gemeenschap moeten worden gereproduceerd. Researchers hebben hun leven gegeven voor deze mening; Georg Wilhelm Richmann werd bv. door een bliksem gedood (1753) terwijl hij het vlieger-experiment van Benjamin Franklin uit 1752 probeerde te herhalen.

Ter bescherming tegen slechte wetenschap en fraudulente gegevens, hebben federale research-financiering agentschappen en wetenschappelijke tijdschriften zoals ‘Nature’ en ‘Science’ de beleidslijn dat researchers hun data en methoden moeten archiveren opdat andere onderzoekers er toegang toe hebben, de data en methoden kunnen testen, en verder bouwen op de research die voorafging. Het archiveren van wetenschappelijke gegevens kan worden gedaan bij een aantal nationale archieven in de V.S. of bij het ‘World Data Centre’.

Reproduceerbaarheid is één van de hoofd-principes van de wetenschappelijke methodologie en refereert naar de mogelijkheid of een test/experiment accuraat kan worden gereproduceerd, of herhaald, door iemand anders die onafhankelijk werkt.

De resultaten van een experiment uitgevoerd door een bepaalde researcher of onderzoeksgroep worden over het algemeen geëvalueerd door andere onafhakelijke researchers die zelf hetzelfde experiment herhalen, gebaseerd op de originele experimentele beschrijving. Dan bekijken ze of hun experiment gelijkaardige – aan die gerapporteerd door de originele groep – resultaten oplevert. De resultaat-waarden worden ‘evenredig’ beschouwd als ze worden bekomen (in afzonderlijke experimentele testen) volgens dezelfde reproduceerbare experimentele beschrijving en procedure.

Reproduceerbaarheid is niet hetzelfde als herhaalbaarheid, wat de slaagkans meet in opéénvolgende experimenten, mogelijks uitgevoerd door dezelfde onderzoekers. Reproduceerbaarheid houdt verband met de overeenkomst van test-resultaten van verschillende operatoren, test-apparaten en laboratoria.

september 16, 2008

Integratie van wetenschappelijke vernieuwing

Gearchiveerd onder: Gezondheidszorg,Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 3:21 pm
Tags: , , , ,

Public Health. 2008 Jun 3;122(7):671-680

Medische praktijk en maatschappelijke gezondheidszorg in de 21steeeuw: tijd voor verandering

Genuis SJ

University of Alberta, Edmonton, Alberta, Canada T6K 4C1

Het hedendaags model van ‘evidence-based’ geneeskunde heeft de alomtegenwoordige publieke gezondheidsdilemmas van escalerende chronische aandoeningen geen effektief antwoord geboden, en wordt uitgedaagd door een substantiële ontevredenheid bij patiënten en zorgverleners. Verscheidene recente meldingen zetten het storend probleem van een verslechterd moreel binnen de medische gemeenschap in de verf, terwijl ongekende aantallen mistevreden patiënten zich wenden tot onconventionele therapieën in hun zoektocht naar hulp. Naast dokterstekorten, overwerk, stijgende regulering en een horde andere uitdagingen bijdragen tot de immer-stijgende stress, vinden veel medische professionals geneeskunde niet langer een voordelige roeping en voelen ze zich ineffektief in hun werk. Recent onderzoek benadrukt echter vernieuwende, klinische strategieën die gebruik maken van principes uit groeiende domeinen zoals molekulaire geneeskunde en epigenetica, die veelbelovende uitkomsten bieden voor veel chronische zieke patiënten. In dit artikel wordt een onderzoeks- en etiologisch gebaseerde benadering van de klinische praktijk voorgesteld, een strategie die resulteerde in het herstel van de fysieke en mentale gezondheid van veel patiënten. Toepassingen voor maatschappelijke gezondheid met inbegrip van ziekte-preventie en bevordering van de gezondheid worden ook besproken.

Integratie van wetenschappelijke vernieuwing

Een studie van de de medische geschiedenis bevestigt dat vertaling van wetenschappelijke kennis, d.i. het proces waarbij nieuwe research en wetenschappelijke verniewing wordt uitgedragen, verwerkt, geïncorporeerd en klinisch geïmplementeerd, is een overbekend lethargisch en langgerekt trajekt dat onveranderlijk meerdere belemmeringen en onverzettelijke tegenkanting omvat.* Semmelweis’ levensreddende oplossing voor de pandemische kraamkoorts werd tientallen jaren belachelijk gemaakt, Linde’s simpel antwoord op scheurbuik-gerelateerde mortaliteit werd gedurende 40 jaar genegeerd, en Warren en Marshall’s recente Nobel Prijs voor hun onderzoek dat een etiologische link aantoonde tussen infektie en maagzweren werd pas toegekend na vele jaren van spot en ongeloof.

Max Planck, gerenommeerd natuurkundige en Nobel Prijs winnaar, liet optekenen dat “een nieuwe wetenschappelijke waarheid niet triomfeert door zijn tegenstanders te overtuigen en hen ‘het licht’ te doen zien maar eerder omdat zijn opponenten uiteindelijk sterven en een nieuwe generatie opgroeit die er vertrouwd mee is”. Gevestigde belangen, afkeer voor verandering, apathie, overheersende geestestoestanden, bureaucratische lethargie en intellectuele onwetendheid zweren samen om het proces van de vertaling van wetenschappelijke kennis te belemmeren. De geschiedenis toont aan dat innovatieve medische benaderingen typisch worden aangevochten door dissidente experten die, dikwijls met een gebrek aan geloofwaardige wetenschappelijke argumentatie, hun academische posities en geloofsbrieven gebruiken om verwarring te zaaien via hooghartige kritieken op nieuw bewijsmateriaal en persoonlijke aanvallen tegen boodschappers van verandering. Verdere verspreiding van ontluikende wetenschap, in het bijzonder naar een jongere generatie die onaangetast is en onbelast door verouderde kennis en sub-optimale praktijken, zal niettemin uiteindelijk de progressieve evolutie van de klinische geneeskunde toelaten.

*. Rogers EM. Diffusion of innovations. New York: The Free Press; 1995.

WIE HET SCHOENTJE PAST, TREKKE HET AAN…

In het M.E.(cvs)-wereldje zijn er jamer genoeg nog steeds te veel dergelijke artsen, onderzoekers,…

augustus 26, 2008

Zombie Wetenschap

Gearchiveerd onder: Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 7:08 am
Tags: , , ,

Medical Hypotheses Volume 71, #3, pp 327-329 (September 2008.)

Editorial

Zombie wetenschap:

[Een sinister gevolg van het evalueren van wetenschappelijke theorieën enkel en alleen op basis van eigenbelang]

Bruce G. Charlton MD; Corresponding Author, Editor-in-Chief ‘Medical Hypotheses’

Samenvatting

Alhoewel het klassiek ideaal is dat wetenschappelijke theorieën worden geëvaluaeerd door een zorgvuldig ontrafelen van hun interne logica en externe implikaties, en controleren of deze deducties en voorspellingen passen bij oude en nieuwe observaties; suggereert het feit dat zo veel vage, domme of incoherente wetenschappelijke theorieën door zo veel wetenschappers voor zo veel jaren klaarblijkelijk worden geloofd, dat dit ideaal niet noodzakelijk de praktijk in de echte wereld reflekteert. In de echte wereld ziet het er meer naar uit dat de meeste wetenschappers nogal gewillig zijn om verkeerde ideëen na te streven, zo lang ze maar worden beloond met een hogere kans op het verkrijgen van meer toelagen, publikaties en status. Het klassieke verhaal gaat dat bedriegelijke theorieën vlot zouden moeten worden neergehaald door sceptische (of jaloerse) wedijverende wetenschappers. In de praktijk echter, kan zelfs de meest onweerlegbare kritiek er niet in slagen valse hypothesen te verzwakken of onderuit te halen, als ze worden gesteund door voldoende economische spierkracht onder de vorm van overvloedige en volgehouden financiering. En als een tak van de wetenschap gebaseerd op valse theorieën een bruikbaar maar niet-wetenschappelijk doel dient, kan het onbeperkt gaande worden gehouden door voortdurende cash-transfusies van degenen wiens belangen het dient. Wanneer dit gebeurt, vervalt de echte wetenschap en ontwikkelt zich een ‘zombie wetenschap’. Zombie wetenschap is wetenschap die dood is maar niet wil gaan liggen. Het blijft stuiptrekken en rondlummelen op zo’n manier dat (van op afstand, en met je ogen half-toe) zombie wetenschap er als echt uitziet. Maar in feite heeft de zombie geen eigen leven; het wordt in leven gehouden en bewogen, enkel en alleen door een eindeloze stroom fondsen. Als zombie wetenschap niet wetenschappelijk bruikbaar is: wat is zijn funktie? In een notedop: zombie wetenschap wordt in stand gehouden omdat het bruikbare propaganda is om te worden ontplooid in arenas zoals politieke retoriek, openbaar bestuur, management, public relations, marketing en de massa-media. Het overtuigt, het installeert taboes, het stut een soort retorische poging om de publieke opinie te manipuleren. Inderdaad: zombie wetenschap komt in de massa-media vaak aannemelijker over dan echte wetenschap; en het is net die oppervlakkige aannemelijkheid op ’t eerste zicht die het enig en toereikend doel is van zombie wetenschap.

juli 22, 2008

Druk op Wetenschap

Gearchiveerd onder: Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 2:48 pm
Tags: , , , ,

PLoS Medicine March 07, 2008

Druk op Wetenschap

Arpad Pusztai

Gepensioneerd; voorheen: The Rowett Research Institute, Bucksburn, Aberdeen, Scotland, UK

Tegenstrijdige belangen: Geen

Gezien research duur is geworden en staatsfinanciering opgedroogd, verwelkomen de meeste wetenschappers de toestroom van industrieel kapitaal. Dit heeft echter ook een aantal niet-zo-welgekomen gevolgen. Begrijpelijk dat de industrie vindt dat de resultaten van onderzoek dat door hen wordt gefinancieerd ‘confidentiële business-informatie’ is. Een gebrek aan transparantie in research, in het bijzonder op het vlak van belangrijke biologische kwesties zonder wetenschappelijke consensus, kunnen echter niet alleen onze gezondheid in gevaar brengen en leiden tot milieu-schade, maar het gaat ook in tegen het belang van de wetenschap. Dit hindert de uitwisseling van resultaten en opinies tussen wetenschappers – de levensader van de wetenschap, zonder dewelke geen wetenschappelijke vooruitgang mogelijk is. Selektieve publikatie van gegevens ten gunste van de sponsor is ernstig voor de gemeenschap en vervormt bovendien de wetenschap. Een recent dergelijk artikel dat typisch is voor vele andere suggereert dat selektieve rapportering van de resultaten van klinische proeven met antidepressiva ernstige gevolgen kunnen hebben gehad voor researchers, gezondheidswerkers en patiënten (1). Het verbergen van data die wijzen op de gevaren van roken of van BSE (spongiforme encefalitis bij runderen [= gekke-koeien-ziekte]), of dat het genetisch-gemanipuleerde [GM] tryptofaan-supplement was betrokken bij het eosinopfylie myalgia syndroom of het niet publiceren van de significante verschillen tussen enkele gezondheidsbepalende constituenten van GM- en niet-GM sojabonen, hadden allemaal ernstige consequenties voor de wetenschap en de maatschappij (2).

Financiering van research door de industrie heeft ongetwijfeld een positieve bijdrage aan de wetenschap geleverd maar zijn vervormende effekten kunnen ook leiden tot de corruptie van waarden en zelfs van wetenschappers (3,4). Zo stelden de Directeur van de ‘Public Employees for Environmental Responsibility’ (PEER) en de ‘Union of Concerned Scientists’ [Unie van Bezorgde Wetenschappers] dat een desinformatie-syndroom de wetenschap en gouvernementele wetenschappers treft (5) omdat hun onderzoek aantoonde dat één op vijf wetenschappers werd gedirigeerd om informatie in een wetenschappelijk document te veranderen of uit te sluiten en meer dan de meldden gevallen waar commerciële belangen de omkering of terugtrekking van onderzoeksbesluiten hadden geïnduceerd. Daarenboven werden een derde tegengehouden om hun mening openlijk bekend te maken. Een artikel in ‘Nature’ (3) rapporteerde dat meer dan 15 percent van de 3.247 respondenten was voorgeschreven om het ontwerp, de methodologie te veranderen of de research-conclusies om te keren of terug te trekken wegens commerciële belangen en politieke interventies en 1,5 percent gaf vervalsing van de gegevens of plagiaat toe. Een recent artikel over de relatie tussen financieringsbron en conclusie in voedingsgerelateerde artikels besloot: “Industriële financiering van voedingsgerelateerde wetenschappelijke artikels kan conclusies beïnvloeden ten voordele van de produkten van de sponsors, met potentieel significante implikaties voor de volksgezondheid.” (6)

De meningen van mensen over wetenschap zijn ontegensprekelijk beïnvloed door berichten in de media. Het onderzoek door de ‘Institute of Professional Managers and Specialists’ in 2000 – aantonende dat 30 percent van de 500 respondenten was gevraagd hun research-conclusies op maat te maken, 17 percent om ze te veranderen zodat ze passen bij de door de klant voorkozen uitkomst en 3 percent werd gezegd ‘ongewenste’ resultaten niet te publiceren – was zeer schadelijk voor de wetenschap. Ook de amerikaanse ‘Fish and Wildlife Service’ rapporteerde dat 44 percent van de respondenten instrukties kreeg om gegevens achter te houden die de noodzaak voor bescherming van soorten aantoonden en 20 percent dat ze hun integriteit moesten compromiteren door data uit te sluiten of te veranderen. Een onderzoek van 103 gouvernementele wetenschappers door het ‘National Institutes of Health’ reveleerde dat 44 overheidswetenschappers ethische regels overtraden tijdens samenwerking met farmaceutische bedrijven en negen overtraden wellicht de strafwet. Vele wereldvermaarde wetenschappers, waaronder Sir Richard Doll, hebben financiële middelen gekregen van belangrijke industrieën wiens produkten ze onderzochten maar zonder dit aan te geven in publikaties (7). De nadelige gevolgen zouden erger kunnen zijn omdat van de 274 klachten betreffende wangedrag het ‘Department of Health and Human Services’ er, omwille van personeelstekort, maar 23 kon onderzoeken.

Deze kwestie kan niet langer worden genegeerd. Een oplossing moet worden gevonden om de voordelen van industrieel sponseren te maximaliseren maar zonder de geloofwaardigheid van research en wetenschappers in gevaar te brengen. Vragen, zoals of de verleiding van winsten biomedisch onderzoek kon bederven (8,9) of sponsoring door de industrie de integriteit van voeding-onderzoek kon ondermijnen (10) moet worden geregeld naar tevredenheid van én gemeenschap én wetenschap. De vroegere hoge status van wetenschappers kan slechts worden hersteld als wij terugkeren naar de principes van openheid en transparantie.

Referenties

1. Turner EH, Matthews AM, Linadartos E, Tell RA, Rosenthal R (2008). Selective publication of antidepressant-trials and its influence on apparent efficacy. New England J.Med 358, 252-260.

2. Pusztai A, Bardocz S (2006). GMO in Animal Nutrition: Potential Benefits and Risks, In Biology of Nutrition in Growing Animals, ed. R. Mosenthin, J. Zentek, and T. Zebrowska (London: Elsevier Limited), 513-540.

3. Wadman M (2005). One in Three Scientists Confesses to Having Sinned. Nature 435, 718-719.

4. Pusztai A (2002) GM food safety: Scientific and institutional issues. Science as Culture, 11, 70-91.

5. Disinformation Syndrome Afflicts Federal Government Scientists (2005). http://www.peer.org/news_id.php?row_id=554http://www.peer.org/docs/fws/05_20_iqa.pdf

6. Lesser LI, Ebbeling CB, Goozner M, Wypij D, Ludwig DS (2007). Relationship between funding-source and conclusions among nutrition-related scientific articles. PLoS Medicine Vol 4, issue 1.

7. Hardell L (2006). Secret Ties to Industry and Conflicting Interests in Cancer Research. American Journal of Industrial Medicine (http://www3.interscience.wiley.com/cgi-bin/abstract/113451325/ABSTRACT).

8. Krimsky S, Rothenberg LS (2001) Conflict of interest policies in science and medical journals. Editorial practices and author disclosures. Science and Engineering Ethics, 7, 205-218.

9. Krimsky S (2003) Science in the private interest; has the lure of profits corrupted biomedical research? New York, Rowman & Littlefield 2003. ISBN 074251479X.

10. Katan MB, (2007). Does industry sponsorship undermine the integrity of nutrition-research? PLoS Medicine January 2007. Vol 4, issue 1.

juni 27, 2008

Zoektocht naar Waarheid: Kritisch Denken

Gearchiveerd onder: Wetenschap - algemeen — mewetenschap @ 11:58 am
Tags: , ,

Gebaseerd op een artikel van Lourdes Salvador (vrijwillger en pleitbezorger voor de erkenning voor MCS) in de ‘American Chronicle MCS America’ (February 1, 2008; http://www.americanchronicle.com/articles/50945)


Als researcher A ja zegt en researcher B zegt nee, is verwarring niet uit de lucht. Voor diegenen die rekenen op wetenschappelijke gegevens kan dit heel frustrerend zijn. In een wereld waar wetenschap vooringenomen is, feiten worden gemanipuleerd, artsen worden misleid, de industrie verkeerd informeert en weinigen kunnen worden vertrouwd, hoe vinden we dan de waarheid?

Als men het heeft over controversiële ziektes, zoals as multipele chemische overgevoeligheid (MCS), fibromyalgie (FM) en Chronische Vermoeidheid Syndroom (CVS), moeten patiënten, artsen en researchers vaardigheden aangaande kritisch denken gebruiken om het kaf van het koren te scheiden, en de feiten en de echte waarheid bloot te leggen.

Deze ‘zoektocht naar waarheid’ kan een lange en frustrerende reis worden waar degenen met banden met de industrie anderen proberen te misleiden, in vele gevallen omwille van hun eigen persoonlijke belangen. Men moet beducht zijn voor financiële banden, verkeerde voorstellingen, onduidelijke informatie en belangenconflicten.

Kritisch denken houdt in: het maken van beslissingen op basis van feiten en degelijke criteria, onderscheid maken tussen feit en opinie; vragen stellen; gedetailleerde observaties stellen; zijn eigen denken analyseren en beoordelen, en veronderstellingen blootleggen om beweringen te stellen gebaseerd op gezonde logica en stevig bewijs.

Attributen van de Kritische Denker

Iemand die:

- Pertinente vragen stelt.

- Verklaringen en argumenten beoordeelt.

- Een eventueel tekort aan begrijpen toegeeft.

- Een zekere nieuwsgierigheid aan de dag legt.

- Er naar verlangt nieuwe oplossingen te vinden.

- Duidelijk een aantal criteria definieert voor het analyseren van ideëen.

- Bereid is ‘geloven’, veronderstellingen en opinies te onderzoeken, en deze af te wegen tegen de feiten.

- Zorgvuldig luistert naar anderen en construktieve feedback kan geven.

- Een beoordeling opschort totdat alle feiten zijn verzameld en overwogen (onbevooroordeeld).

- Zoekt naar bewijsmateriaal die veronderstellingen en ‘geloven’ zou kunnen ondersteunen.

- Opinies aanpast als nieuwe feiten worden aangebracht.

- Zoekt naar objectief bewijs.

- Perceptie van logica onderscheidt.

- Problemen nauwgzet onderzoekt.

Het proces van kritisch denken ontkent blind geloof in wat men leest of wat wordt verteld. Men moet zo’n dingen met een korrel zout nemen en zelf onderzoek voeren om een doordachte opinie, gebaseerd op feiten, te vormen. Argumenten voor de ene of de andere kant leiden dikwijls tot veronderstellingen. Deze moeten worden vermeden, ten voordele van concrete feiten en informatie.

Er zijn veel logische denk-/argumentatie-fouten waarvoor kritische denkers moeten uitkijken. Een logische denk- of argumentatie-fout is een fout in het redeneren. Een tiener, bijvoorbeeld, kan aanbrengen dat het ok is om na middernacht weg te blijven omdat ‘iedereen het doet’. Het feit dat alle anderen lang wegblijven, is irrelevant. Hoe maakt wat iedereen anders doet het ok? Iedereen anders zou wel eens verkeerd kunnen zijn wat betreft laat wegblijven. Voor een bepaalde tiener kunnen er misschien speciale omstandigheden zijn. Verandert het feit dat iedereen laat wegblijft de mogelijkheid van de tiener om vroeg op te staan voor school de volgende morgen? Nee, dat doet het niet en dit is geen degelijk argument om laat weg te blijven.

Courante Denk-/Argumentatie-fouten (‘Drogredenen’) in de Logica

Een ‘ad hominem’ denkfout [argument tegen de persoon] komt voor als iemand’s karakter wordt aangevallen in plaats van te discussiëren over het onderwerp in kwestie. Dit kan voorkomen in een debat over het al dan niet openen van een nieuwe (denk)‘school’(richting). Verdedigers tegen een nieuwe ‘school’ zouden hun tegenstanders persoonlijk kunnen bekritiseren door commentaar te geven op hun waarde, identiteit of intenties in plaats van de echte kwestie aan te pakken – de vraag of er mogelijks nood is aan een nieuwe ‘school’.

Een ‘bandwagon’ denkfout [zich bij een zaak aansluiten omwille van de populariteit ervan] komt voor als er wordt geargumeteerd dat een meerderheid in iets gelooft of een bepaalde aktie verkiest, zodat dat argument/ die aktie wel waar moet zijn. Een voorbeeld zou kunnen zijn dat ‘90% van de mensen eens per week bij McDonald’s eet, dus is eens per week eten bij McDonald’s goed. Al die mensen kunnen niet verkeerd zijn.’ In werkelijkheid is er geen bewijs om dit besluit op te baseren. De vragen die we zouden moeten stellen zijn legio. Wat is de voedingswaarde van het voedsel? Hoeveel calorieën bevat het voedsel? Zijn er wetenschappelijke studies die een voordeel aantonen in verband met eten bij McDonald’s? Wie heeft die studies bekostigd?

Een ‘snob appeal’ denkfout [kwaliteiten die sociale of intellectuele pretensies lijken te substantiëren] komt voor als het argument dat wordt gebruikt in de lijn ligt van ‘Al degenen die op de hoogte zijn, steunen dit.’. Een voorbeeld zou het argument kunnen zijn dat ‘Iedereen die al ’n tijdje betrokken is, weet dat fibromyalgie nooit erkenning zal krijgen in een gerechtszaak.’. Dit impliceert dat iedereen die dit niet gelooft niet tot de ‘in crowd’ behoort en dus verkeerd is en niet te vertrouwen is. Nochtans, ondersteunt dit geenszins de waarheid van de claim, die van nabij moet worden onderzocht.

Een ‘beroep op traditie’ denkfout komt voor wanneer iemand beweert dat iets wel waar of best moet zijn omdat dit de manier is waarop het altijd werd gedaan. In het geval van een nieuw schoolgebouw zou een foutieve claim kunnen zijn: ‘We hebben nooit een nieuwe school nodig gehad, waarom zouden we nu een nieuwe bouwen?’ Wat er in het verleden ook is gedaan, het heeft geen uitstaans met de huidige nood aan een schoolgebouw.

Een ‘genetische’ denkfout komt voor wanneer iemand claimt dat een idee, produkt of persoon niet te vertrouwen moet zijn omwille van zijn/haar raciale, geografische of ethnische oorsprong. Bijvoorbeeld: ‘Dat voedsel is giftig. Het werd gemaakt in China.’. Ook al weten we dat China in het nieuws is geweest omwille van verschillende giftige produkten, dat wil niets zeggen over het voedsel dat nu ter discussie staat. Een kritisch denker zou vragen dat het voedsel onafhankelijk wordt getest vooraleer het als giftig te bestempelen.

Een ‘valse oorzaak’ denkfout stelt een oorzaak/gevolg-verband dat niet bestaat en de basis van bijgeloof is. Bijvoorbeeld: ‘Ik stapte op de spleet in het voetpad op m’n weg naar huis. Toen ik thuiskwam, bleek dat mijn moeder haar rug had gebroken door van de trap te vallen. Omdat ik op die spleet stapte, heeft m’n moeder haar rug gebroken.’.

Er zijn nog veel drogredenen maar deze hierboven zijn al genoeg om aan het denken te gaan over de noodzaak van het kritisch denken, het stellen van vragen en het re-evalueren van onze geloof-systemen. Argumentatie-fouten geven de indruk dat iets/iemand vertrouwenswaardig is terwijl ze onvoldoende bewijs leveren opdat een geïnformeerd besluit kan worden gemaakt.

Geloofwaardigheid van Bewijs(materiaal)

Omdat de meeste informatie ons tweede-hands bereikt: Hoe kunnen we er ons van verzekeren dat het bewijs(materiaal) waar we onze beslissingen op baseren geloofwaardig is? Er zijn vijf criteria van geloofwaardigheid:

- ‘Reputatie’ onderzoekt de geschiedenis van een bron. Een goede reputatie staat voor een meer geloofwaardige bron, terwijl een slechte reputatie staat voor een minder geloofwaardige bron. Reputatie is, natuurlijk, gebaseerd op concrete en verifieerbare feiten, niet op ad hominem beweringen.

- ‘Vermogen om te Zien’ onderzoekt of een informatie-bron zich in een positie van kennis uit de eerste hand bevindt. Hoe goed iemands reputatie ook is, als ze niet over kennis uit de eerste hand beschikken, is hun geloofwaardigheid niet sterk. Tweede-handse kennis heeft niet dezelfde geloofwaardigheid.

- ‘Gevestigde Belangen’ onderzoekt of de informatie-bron persoonlijk iets op het spel heeft staan. Als een wetenschapper betaald wordt door een farmaceutisch bedrijf om een studie uit te voeren, dan heeft hij/zij zeker een gevestigd belang (financieel) in de uitkomst van de studie (dat het resultaat van het onderzoek positief is voor het bedrijf). In dit geval is de geloofwaardigheid ernstig aangetast.

- ‘Expertise’ onderzoekt of een informatie-bron beschikt over de gespecialiseerde kennis en achtergrond die noodzakelijk is om het bewijsmateriaal in kwestie te kunnen interpreteren.

- ‘Neutraliteit’ onderzoekt of iemand voorbestemd is om een zekere opinie te steunen om redenen tegengsteld aan de gevestigde belangen. Een vrouw die verkracht werd, zou niet echt een neutrale getuige zijn in een verkrachtingszaak.

De Waarde Van Kritisch Denken

Het is hoogst waarschijnlijk dat gedurende het lezen van dit stukje, men heeft ontdekt hoe informatie kan beladen zijn met truukjes die zijn ontworpen om anderen iets te laten geloven dat niet waar is. Misschien herinnert men zich te zijn beschadigd door iets waarvan met zei dat het veilig was, weze het een medicijn of andere behandeling [vaccinaties?, antibiotica?, Ampligen? Chemische stoffen in de werkomgeving? enz.]. Kritisch denken zou kunnen hebben geholpen om deze onfortuinlijke fouten te vermijden.

Laten we de geloofwaardigheid van een dokter die vaccinaties aanbeveelt als voorbeeld nemen. Sommige vragen, gebaseerd op de geloofwaardigheid-richtlijnen, die men moet overwegen zijn:

- Wat is de reputatie van de arts?

- Lopen er tegen de arts klachten (bij het gerecht, bij de Orde van Geneesheren)?

- Doet de arts aan follow-up d.m.v. een fysisch onderzoek bij zijn/haar patiënten?

- Spreekt de arts over mogelijke negatieve bijwerkingen en vraagt hij/zij die te rapporteren?

- Houdt de arts een statistische lijst bij van bijwerkingen bij zijn/haar patiënten?

- Krijgt de arts iets van het producerend farmaceutisch bedrijf?

- Wat is de specifieke opleiding in immunologie van de arts?

- Heeft de arts een specialisatie-graad in immunologie?

- Geeft de arts u de bijsluiter zodat u zowel indicaties als waarschuwingen kan nalezen?

- Hoe reageert de arts als u dergelijke vragen stelt?

Dergelijke kwesties onderzoeken kan helpen de geloofwaardigheid van de opinie van een arts te bepalen. Eens de geloofwaardigheid van de arts is bepaald, kan men bijkomend opzoekwerk naar de wetenschap achter de behandeling/ test doen, bewijsmateriaal verzamelen en een mening vormen gebaseerd hierop. Beiden kanten (van een controversie) kunnen en moeten diepgaand worden bekeken. Elke informatie-bron zou naar geloofwaardigheid moeten worden geschat. Voeg dan alle informatie die je hebt verzameld samen en bekijk deze kritisch om een geïnformeerde beslissing te nemen. Verwerp informatie die niet geloofwaardig is of gebaseerd op foutieve argumentatie.

Correcte beslissingen kunnen levens redden!

Thema: Rubric. Blog op Wordpress.com.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.